Vespasianus en Titus, vader en zoon

vespasianusOp de dood van Nero en het woelige Vierkeizerjaar volgde de Flavische dynastie. Het was de eerste keizerlijke dynastie waarin een keizer zou worden opgevolgd door zijn biologische zoon. Alle voorafgaande keizers waren opgevolgd door een achterneef, oom of stiefzoon. De Flavische dynastie telt aanzienlijk minder keizers, al was er lange tijd wel degelijk een stabiele regering. Zeker onder Vespasianus en zijn zoon Titus was er sprake van een nuchter, sober keizerschap.

Vespasianus en zijn zoon Titus droegen in feite dezelfde namen, zoals gebruikelijk was voor een vader en oudste zoon. (Hierboven Titus, links bovenaan Vespasianus)

Vespasianus en zijn zoon Titus droegen in feite dezelfde namen, zoals gebruikelijk was voor een vader en oudste zoon. (Hierboven Titus, links bovenaan Vespasianus)

Titus Flavius Vespasianus werd op 17 november 9 na Christus geboren in het dorp Falacrinae, ten noordoosten van Rome. Zijn afkomst was relatief bescheiden, want de familie Flavius had nog niet veel interessants bereikt. Zijn grootvader, Titus Flavius Petro, had zich onderscheiden door als centurio mee te vechten in de slag bij Pharsalus tussen Caesar en Pompeius, in 48 v. Chr. Petro had daar aan de Pompeiaanse zijde meegevochten en ging zich nadien bezighouden met het innen van schulden. Petro’s zoon, Titus Flavius Sabinus, maakte carrière als tollenaar in Asia (een provincie in het westen van Klein-Azië) en als geldschieter bij de Helvetiërs (Gallische stam in Zwitserland), waarbij hij vooral de naam opbouwde eerlijk en punctueel te zijn. Zijn huwelijk met Vespasia Polla bood goede vooruitzichten, want haar vader was kampprefect en haar broer schopte het tot senator en praetor. Vespasianus’ broer, Titus Flavius Sabinus, klom op tot krijgstribuun, quaestor en praetor. Hun oudere zus stierf kort na haar geboorte.

Vespasianus leidde een tijdlang Legio II Augusta, onder meer bij de invasie van Brittannia. De naam van het legioen wordt nu gebruikt door een populaire Britse re-enactmentgroep, evenals door een Nederlandse zustervereniging.

Vespasianus leidde een tijdlang Legio II Augusta, onder meer bij de invasie van Brittannia. De naam van het legioen wordt nu gebruikt door een populaire Britse re-enactmentgroep, evenals door een Nederlandse zustervereniging.

Vespasianus was geen ambitieuze jongeman, maar begon uiteindelijk ook de cursus honorum op aandringen van zijn moeder. In het jaar 38 trouwde hij Flavia Domitilla. In het jaar 39 kregen zij een dochter, Domitilla. Hun eerste zoon, Titus Flavius Sabinus Vespasianus, werd geboren in 41, gevolgd door Titus Flavius Domitianus in 51. Titus was als kind bevriend met Brittannicus, het zoontje van Claudius, en zou volgens sommige bronnen aanwezig zijn geweest op het banket waar de jongen vergiftigd werd. Het begin van Vespasianus’ carrière kwam neer op twee lage posten, ter voorbereiding op het praetorschap. 3 jaar vervulde hij een militaire functie in Thracië, gevolgd door een publiek ambt in Rome in 30 na Chr. Hierbij was hij waarschijnlijk verantwoordelijk voor het schoonhouden van de straten, een taak die hij naar het schijnt zo slecht uitvoerde dat keizer Caligula de toga van Vespasianus meerdere malen vol mest liet stoppen. Hierop volgde een quastorschap op Kreta. Pas in 39 of 40 bereikte hij het ambt van praetor, een hele prestatie gezien de bescheiden naam van zijn familie. Mogelijk komt dit ook door zijn liefdesrelatie met Antonia Caenis, de privé-secretaresse van Antonia (Caligula’s grootmoeder, Claudius’ moeder). In 41 na Chr. benoemde de nieuwe keizer Claudius Vespasianus tot legaat van Legio II Augusta, gelegerd in Argentoratum (Straatsburg). Twee jaar later leidde hij het legioen bij de invasie van Brittannia, waarbij hij zich behoorlijk onderscheidde, al raakte hij ook lelijk gewond. Bij terugkeer in Rome werd hij beloond als triomfator en kreeg in 51 het consulaat toegewezen. Hij botste echter met Claudius’ nieuwe echtgenote Agrippina en trok zich na het consulaat dan ook terug uit het openbare leven, om in alle rust te herstellen van zijn oude verwonding. Zoon Titus begon ondertussen aan een carrière. Vanaf 57 v. Chr. was hij krijgstribuun in Germania, waarna hij ook nog diende in Brittannia. Zijn huwelijk met Arrecana Tertulla, de dochter van een voormalig Praetoriaans Prefect, was maar een kort leven beschoren daar zij rond het jaar 65 overleed. Zijn nieuwe huwelijk met Marcia Furnilla eindigde in een scheiding, mogelijk omdat haar familie betrokken was in een samenzwering tegen Nero.

Een Romeinse latrina in Ostia. In het Italiaans en Frans worden openbare "pissoirs" naar Vespasianus genoemd (vespasienne en vespasiano, respectievelijk) ter herinnering aan zijn belasting op openbare toiletten.

Een Romeinse latrina in Ostia. In het Italiaans en Frans worden openbare “pissoirs” naar Vespasianus genoemd (vespasienne en vespasiano, respectievelijk) ter herinnering aan zijn belasting op openbare toiletten.

Pas in 63 trad Vespasianus weer op de voorgrond toen hij door Nero tot gouverneur van de provincie Africa werd benoemd (Tunesië en een deel van de Algerijnse en Libische kustgebieden). Tacitus beschrijft zijn bestuur daar in negatieve termen, terwijl Suetonius spreekt van een eerlijk bewind. In elk geval zag Vespasianus, in tegenstelling tot de meeste ex-consuls die gouverneur werden, de provincie niet als een melkkoe om al het geld van zijn eerdere politieke campagnes terug te winnen. Vespasianus vulde zijn zakken niet, maar breidde juist zijn netwerk uit. Wel kreeg hij ernstige financiële problemen, zodat hij zijn landerijen aan zijn broer moest verhuren en geld stak in de handel in muilezels, wat hem de bijnaam Mulio opleverde. Na zijn termijn in Africa maakte hij deel uit van Nero’s entourage in Griekenland, maar viel uit de gratie omdat hij bij Nero’s zangkunsten in slaap viel of niet kwam opdagen. Hij trok zich opnieuw terug uit het openbare leven. Vermoedelijk zijn rond deze tijd zijn vrouw Domitilla en dochter Domitilla de Jongere overleden, rond dezelfde tijd als waarin Titus zijn eerste vrouw verloor, waarna Caenis, inmiddels een vrijgelatene, Vespasianus’ vaste maîtresse werd. Titus hertrouwde na de scheiding met Marcia nooit meer.

Een sestertius van keizer Vespasianus, met op de andere zijde de tekst IVDEA CAPTA ("Judea ingenomen")

Een sestertius van keizer Vespasianus, met op de andere zijde de tekst IVDEA CAPTA (“Judea ingenomen”)

Vespasianus’ aanstelling als generaal in Judea kwam dan ook als een verrassing. De provincie was op dat moment echter in staat van opstand, waarbij het leger van de naburige legaat van Syrië verslagen was. Vespasianus kreeg twee legioenen, acht ruiterkorpsen en tien cohorten van hulptroepen tot zijn beschikking. Titus kwam hem assisteren en arriveerde in Egypte met nog een legioen, het 15e. Zij voegden zich bij elkaar in Ptolemais (Akko) met het plan om door Galilea te trekken en zo Judea te overrompelen. Het was een taaie strijd die enkele jaren duurde en veel mensenlevens eiste. Eén van de gevangengenomen rebellenleiders was Josef ben Matitjahu, die zich in 67 aan Vespasianus overgaf en beweerde dat de messianistische profetieën het keizerschap van Vespasianus voorspelden. Vespasianus hield Josef als slaaf en tolk bij zich. Zij zouden een hechte band opbouwen en na zijn vrijlating in 69 noemde Josef zich dan ook Flavius Josephus. In zijn schrijven over de geschiedenis van het Joodse volk noemt Josephus Vespasianus een eerlijk en humaan staatsman.

Het Vierkeizerjaar. De legioenen in Judea en Egypte verklaarden Vespasianus het eerst tot keizer. Syrië en meerdere Balkanprovincies volgden al snel.

Het Vierkeizerjaar. De legioenen in Judea en Egypte verklaarden Vespasianus het eerst tot keizer. Syrië en meerdere Balkanprovincies volgden al snel.

Het Vierkeizerjaar deed de voorspelling van Josephus in elk geval uitkomen. In eerste instantie had Vespasianus zich afwachtend opgesteld en Titus naar Rome gezonden om Galba als keizer te begroeten. Onderweg hoorde Titus dat Galba was vermoord en vervangen door Otho, maar ook dat Vitellius naar Rome onderweg was om de macht te grijpen. Hierdoor was er een risico dat Titus in Rome gegijzeld zou worden om de loyaliteit van Vespasianus af te dwingen, dus Titus keerde onderweg om en ging terug naar Judea. Na de dood van Otho zochten diens aanhangers een nieuwe leider, tegen keizer Vitellius. Hun oog viel op Vespasianus. Mucianus, de gouverneur van Syrië, moedigde Vespasianus aan om de troon op te eisen. Op 1 juli 69 riep het leger in Egypte hem tot keizer uit, kort daarna gevolgd door de troepen in Judea. Moesia, Pannonia en Illyricum, de provincies die Otho tot op het laatst gesteund hadden, sloten zich meteen aan. Vespasianus zou op grond van meerdere voortekens en orakels in de voorspelling van Josephus zijn gaan geloven en accepteerde uiteindelijk het keizerschap. Met een leger in Egypte was het een koud kunstje om de graanaanvoer naar Rome onder controle te krijgen: Alexandrië was immers de “graanschuur van Rome”. Ondertussen viel Marcus Antonius Primus vanuit Pannonia Italië binnen. Nadat deze een overwinning bij Bedriacum had behaald, bood Vitellius aan af te treden en het rijk over te dragen aan Vespasianus’ broer Sabinus, die hoofd van de stadscohorten was. De soldaten van Vitellius gingen hier echter niet mee akkoord: het Capitool werd belegerd en verwoest, en ondanks bemiddelingspogingen van Vitellius werd Sabinus door zijn soldaten gedood, waarmee Vespasianus zijn oude steun en toeverlaat verloor. Kort daarna veroverde Antonius Primus Rome en werd Vitellius gedood. Zodra dat nieuws Vespasianus bereikte stond hij weer graantoevoer toe, met het bericht dat veel onredelijke wetten van Nero zo snel mogelijk zouden worden teruggedraaid. In december benoemde de Senaat Vespasianus tot keizer. Terwijl hij onderweg was naar Rome werd het bestuur daar geleid door Mucianus, terwijl de jonge Domitianus de keizerlijke familie vertegenwoordigde. Begin 70 was Vespasianus nog in Egypte vanwege slecht weer en omdat hij de steun van de bevolking zocht. Er gingen verhalen rond over zijn helende krachten. Toch braken er rellen uit vanwege de strengere belastingen, maar Vespasianus wist deze brand te blussen.

Denarius met de beeltenis van Titus (ca. 79 AD). Op de andere zijde een wapen een knielende Joodse gevangene en wapenrusting, ter herinnering van Titus' triomf over de rebellen.

Denarius met de beeltenis van Titus (ca. 79 AD). Op de andere zijde een wapen een knielende Joodse gevangene en wapenrusting, ter herinnering van Titus’ triomf over de rebellen.

Belangrijker was het feit dat nog niet alle burgeroorlogen en opstanden voorbij waren. In Gallië en Germanië woedde de Bataafse opstand, die pas laat in het najaar zou worden beëindigd dankzij het leiderschap van Vespasianus’ zwager Cerialis. Ook moest de Joodse Opstand nog worden beëindigd. De rebellen waren nu weliswaar in meerdere kampen opgesplitst, maar dat maakte de strijd niet eenvoudiger. Titus was nog tot in augustus 70 bezig met het belegeren van Jeruzalem, een uitputtingsbeleg dat zou eindigen met de verwoesting van de Tempel van Herodes. Titus’ troepen riepen hem daarbij tot imperator uit. Josephus, die als onderhandelaar had opgetreden namens Titus, schrijft dat in de plundering van de stad meer dan een miljoen doden vielen en 97.000 slaven gemaakt werden. Titus zou een overwinningskrans hebben geweigerd, volgens Josephus omdat hij zichzelf niet als overwinnaar zag, maar als een instrument van God om het ontrouw geworden Joodse volk te straffen. De plundering had een groot effect op het uitbreiden van de Diaspora. Volgens Eusebius zou Vespasianus ook opdracht hebben gegeven alle afstammelingen van koning David op te sporen, al dan niet om zijn legitimiteit op grond van Josephus’ interpretatie van de profetie te waarborgen.

De boog van Titus, vlakbij het Forum Romanum, rond 82 v. Chr. opgericht door Domitianus ter ere van zijn broer.

De boog van Titus, vlakbij het Forum Romanum, rond 82 v. Chr. opgericht door Domitianus ter ere van zijn broer.

Pas halverwege het jaar 70 bereikte Vespasianus Rome, waarbij hij zijn vijanden buitenspel zette en de soldaten van Vitellius ontsloeg of strafte. Hij sloeg munten die overwinning en vrede benadrukten en bouwde een vredestempel op het Forum. Titus kwam pas in het voorjaar van 71 naar Rome, nu het gevaar van de opstand daar grotendeels geweken was, hoewel de Romeinen nog tot 73 bezig zouden zijn om de laatste bolwerken te vernietigen. Titus kreeg een triomftocht waarbij alle buit van de tempel getoond werd, zoals de Menorah en de Pentateuch. Als monument hiervan staat de Boog van Titus nog steeds overeind in Rome, gebouwd door Titus’ broer Domitianus. Titus zou de hele regering van Vespasianus als zijn secretaris en assistent dienen. Ook werd hij benoemd tot prefect van de Praetoriaanse Garde. In 75 kreeg hij in Rome gezelschap van Berenice, de zuster van Herodes Agrippa II, die met haar in 66 uit Judea gevlucht was. Tijdens de oorlog in Judea had Titus een verhouding gekregen met de 11 jaar oudere Berenice en zij had met haar rijkdom Vespasianus gesteund in zijn machtsgreep. Waarschijnlijk was hun lange hereniging te wijten aan bezwaren van de invloedrijke Mucianus, die niet aarzelde om openlijk kritiek te uiten op de keizer. Agrippa kreeg de titel van praetor en Berenice ging in het paleis leven alsof zij Titus’ vrouw was. Het volk van Rome was niet dol op de buitenlandse vorstin en na aanhoudende kritiek zag Titus zich genoodzaakt haar weg te sturen.

De triomftocht van Titus voerde kostbare schatten uit de Tempel van Jeruzalem mee, zoals hier afgebeeld op de Boog van Titus.

De triomftocht van Titus voerde kostbare schatten uit de Tempel van Jeruzalem mee, zoals hier afgebeeld op de Boog van Titus.

Van een groot deel van Vespasianus’ 10-jarige regering is maar weinig bekend, omdat er weinig noemenswaardigs gebeurde. De keizer had een relatief bescheiden voorkomen en hield zich vooral bezig met een nuchter bestuur. Hij kleedde zich zelf aan, in tegenstelling tot zijn voorgangers. Wel lette hij goed op zijn positie. Historische teksten die lovend over hem spraken werden sterk gewaardeerd. Dit alles om zijn in eerste instantie onzekere positie te waarborgen. Toch was hij relatief mild jegens de oppositie. Filosofen vielen bij hem over het algemeen niet in de smaak, daar hij ze zag als zeurkousen die de oude republiek teveel ophemelden. Eén enkele filosoof werd geëxecuteerd wegens beledigende opmerkingen, al had Vespasianus lange tijd zijn uitlatingen genegeerd met de woorden: “Ik zal een hond die naar me blaft niet doden.”Volgens Suetonius kampte Vespasianus ondanks zijn milde opstelling met de ene samenzwering na de andere. Toch is er maar één voorbeeld van bekend. In 78 of 79 vond er een samenzwering plaats. Caecina, een oude trawant van Vitellius die op opportunistische wijze naar Vespasianus was overgelopen, deed hieraan mee, wat leidde tot zijn executie.

Lawrence Alma-Tadema, De Triomf van Titus (1885). De schilder beeldt Vespasianus uit als Pontifex Maximus, met daarachter zijn zoons en schoondochter Domitia Longina. De schilder impliceert een affaire tussen haar en Titus.

Lawrence Alma-Tadema, De Triomf van Titus (1885). De schilder beeldt Vespasianus uit als Pontifex Maximus, met daarachter zijn zoons en schoondochter Domitia Longina. De schilder impliceert een affaire tussen haar en Titus.

Ook kampte Vespasianus bij aanvang van zijn regering met een vrijwel lege schatkist, wat de toename van belastingen verklaart. Een beruchte nieuwe belasting was het toegangsgeld voor de publieke latrina, waar zelfs Titus het niet mee eens was. Vespasianus zou zijn zoon een munt onder de neus hebben gehouden met de vraag of deze stonk. “Nee? En toch komt hij van de latrina.” Hieruit ontstond het gevleugelde woord “Pecunia non olet” (“Geld stinkt niet”). Zijn spaarzaamheid (in sterk contrast met keizers als Nero en Vitellius, die een flink gat in de hand hadden gehad) gaf hem een berucht imago van krentenweger. Toen een groep mariniers om een toelage voor schoenen vroeg gaf hij ze opdracht voortaan barrevoets te gaan. Toen de Senaat aankondigde van hem een standbeeld voor een miljoen sestertiën te willen maken, hield hij zijn hand op met de woorden dat dit de sokkel was en het geld erop mocht. Het zal duidelijk zijn dat Vespasianus scherp van tong en geest was. Toen enkele heren zijn stamboom probeerden terug te geleiden op de stichters van de stad Reate (Rieti) lachte hij hen uit. Een consul genaamd Florus wees hem erop dat hij het woord plaustra (“wagens”) niet als plostra moest uitspreken. Vespasianus sprak hem sindsdien niet aan met Flore (vocativus van Florus) maar met Flaure (Grieks voor “onbenul”).

Het Flavisch Amfitheater of Colosseum, door Vespasianus en Titus gebouwd op de plek waar Nero's Domus Aurea stond.

Het Flavisch Amfitheater of Colosseum, door Vespasianus en Titus gebouwd op de plek waar Nero’s Domus Aurea stond.

Toch was Vespasianus niet gierig, wat wel blijkt uit zijn bouw van het Colosseum, of eigenlijk het Flavisch Amfitheater, wat hij met de buit van de plundering van Jeruzalem bekostigde. Dit zou hij echter niet voltooid zien. In 79 trok hij naar de omgeving van Reate, waar hij elke zomer heenging, maar kreeg onderweg ernstige last van buikloop. Toen hij merkte dat hij dreigde te bezwijmen riep hij uit dat een keizer staande hoorde te sterven en liet zich overeind hijsen. Op 23 juni 79 stierf hij aldus in de armen van enkele getrouwen, 69 jaar oud. De overlevering vertelt dat zijn allerlaatste woorden weer een grap waren, namelijk: “Ik geloof dat ik een god ga worden.” Op zijn uitvaart werd hij, zoals gebruikelijk was, door een acteur geïmiteerd. De acteur vroeg hoeveel de begrafenis kostte. Op het antwoord (10 miljoen sestertiën) riep “Vespasianus” dat zijn lijk dan maar gewoon de Tiber in moest, een grap over zijn sobere voorkomen.

Porfieren bad uit de Thermen van Titus (Vaticaans Museum)

Porfieren bad uit de Thermen van Titus (Vaticaans Museum)

Vespasianus werd nu opgevolgd door Titus, die hem na 6 maanden vergoddelijkte en daarmee de keizerlijke verering weer nieuw leven inblies. Zijn reputatie was, mede door de affaire met Berenice, niet zo zuiver als die van Vespasianus. In feite vreesde men voor een tweede Nero. Niets bleek minder waar. Titus bleek een eerlijk bestuurder net als zijn vader en maakte bijvoorbeeld prompt een einde aan allerlei processen wegens verraad: “Het is onmogelijk voor mij om beledigd of gekwetst te worden op welke wijze dan ook. Ik doe immers niets dat censuur verdient en ik bekommer mij niet om valse uitspraken.” Lichtpunten zijn de voltooiing van het Colosseum, wat met 100 dagen spelen werd ingewijd. Ook werd er razendsnel een nieuw badhuis aangelegd. Zijn grootste uitdagingen kwamen in de vorm van rampen zoals de uitbarsting van de Vesuvius in 79. Het jaar daarop was er brand in Rome, wat vooral schade toebracht aan enkele publieke gebouwen. Ene Terentius Maximus trachtte als pseudo-Nero de macht te grijpen, maar zag zich al snel gedwongen om naar het rijk der Parthen te vluchten.

Titus regeerde helaas niet lang. Kort na het einde van de spelen was hij onderweg naar het Sabijns territorium maar werd onderweg plotseling ziek. Op 13 september 81 overleed hij, naar het schijnt met de laatste woorden: “Ik heb maar één vergissing gemaakt.”  Volgens sommige historici zoals Philostratus doelen deze woorden op Domitianus, die tegen Titus zou hebben samengezworen maar hier niet voor gestraft was. Philostratus meent dat Titus door zijn broer vergiftigd werd met gif van een zeeslak, wat hem al eerder voorspeld zou zijn. Suetonius en Cassius Dio gaan echter uit van een natuurlijke dood. Domitianus zou vooral laakbaar zijn omdat hij de stervende Titus liet verkommeren. Titus werd opgevolgd door Domitianus, die hem vergoddelijkte, maar niet zo’n goede keizer bleek als zijn broer en vader.

Giel

Giel

Giel is al sinds zijn prilste jeugd diep geïnteresseerd in geschiedenis en in de Romeinse tijd in het bijzonder. Na zijn MA in geschiedenis te hebben gehaald aan de Universiteit Leiden is hij zelf dieper en dieper in het Romeinse verleden (met name dat van Nederland) gaan graven. Naast geschiedwetenschappelijk onderzoek houdt hij zich bezig met het omzetten van de resultaten in creatieve projecten, opdat er leerzaam doch leuk materiaal geproduceerd wordt. Hoofdinteresses zijn de geschiedenis van het Romeinse rijk, de Romeinen in Nederland en het Romeinse leger.

LAAT EEN REACTIE ACHTER