Romeinen en mobiliteit: het wegennet

wegHa, die barbaren! Na een vermoeiend jaar als soldaat heb ik met volle teugen genoten van de “winterstop” om het maar zo te noemen, maar het bloed kruipt natuurlijk waar het niet gaan kan. Vulpes pilum mutat, non mores, zoals wij Romeinen zeggen. Intussen is mij ter ore gekomen dat de Romeinenweek, die dit jaar van 28 april tot 6 mei gehouden zal worden, in het teken staat van mobiliteit. Dat komt goed uit, want als rondreizende Romein ben ik natuurlijk één en al mobiliteit. En waar zou ik dan zijn zonder dat Romeinse wegennet?

Op dit portret loop ik over een fraaie geplaveide weg. Maar de kans op zo'n weg is in dit land erg klein!
Op dit portret loop ik over een fraaie geplaveide weg. Maar de kans op zo’n weg is in dit land erg klein!

Al voor de Romeinen hier kwamen waren er vast en zeker al wegen, maar de meeste hiervan zullen gewoon paadjes zijn geweest die ontstaan waren door veel gebruik. De meest bewust aangelegde wegen uit de prehistorie dienden vooral om moerassige gebieden (waar het op de veengrond in het westen van het land van wemelde) te kunnen doorkruisen, vaak met boomstammen. Ook voor de Romeinen was dit nodig, maar de Romeinen legden ook veel wegen aan, gewoon om ervoor te zorgen dat de meest begaanbare routes altijd bruikbaar waren. Dat was sowieso nodig voor het leger, natuurlijk. Maar ook handelaren en andere reizigers maakten er dankbaar gebruik van.

De belangrijkste Romeinse wegen in Nederland. Er waren er vast nog veel meer, maar de meeste waren waarschijnlijk paadjes.
De belangrijkste Romeinse wegen in Nederland. Er waren er vast nog veel meer, maar de meeste waren waarschijnlijk paadjes.

Romeinse wegen zagen er niet allemaal hetzelfde uit. Hoe de Romeinen de weg aanlegden kon liggen aan hoe belangrijk de weg was, op wat voor bodem de weg moest komen en welke materialen ze beschikbaar hadden. Zo’n betegelde weg waar iedereen aan denkt zal in jullie uithoekje van het rijk bijna nooit zijn voorgekomen. Eigenlijk waren die ontzettend zeldzaam! Sommige wegen waren niet meer dan zandpaadjes, andere waren stevig gefundeerd met grind, keien, aarde, houten balken of wat dan ook. In dit land, waar de grond meestal uit zand, klei of veen bestaat, werden de meeste wegen met grind verhard. Schelpenpaden kwamen ook voor, bij de kust. Sommige hadden blijkbaar zelfs een soort stoep of vluchtstrook, wat je kon zien omdat er naast de weg greppels liepen.

Een Romeinse weg zal niet van beton en asfalt zijn geweest. Toch geeft dit stuk nagemaakte Limesweg bij Valkenburg de doorsnee van een beschoeide agger goed weer.
Een Romeinse weg zal niet van beton en asfalt zijn geweest. Toch geeft dit stuk nagemaakte Limesweg bij Valkenburg de doorsnee van een beschoeide agger goed weer.

Een simpele grindbaan met twee greppeltjes ernaast kon dus genoeg zijn. Soms was er een stevigere weg nodig en werd er een agger aangelegd, een aardebaan. Vaak was die weg dan uit plaggen van aarde opgeworpen met wat grind eroverheen. Deze weg lag vaak duidelijk wat hoger dan de grond eromheen. Hoe drassiger de omgeving werd, hoe hoger en steviger de weg moest zijn om niet onder te lopen of uit elkaar te vallen. Soms werd zo’n agger dus ook beschoeid: er werden ter versteviging houten palen in geslagen, als een soort hekwerk. De aarde daarbinnen werd dan mooi afgedekt met grind, terwijl er aan de buitenkant een soort hellingen werden opgeworpen zodat de beschoeiing goed ingestopt zat. Mocht het zo zijn dat de weg grond bijna onbegaanbaar was, dan was het nodig om bij wijze van weg echt een soort brug of stijger aan te leggen. Bij de veldtocht in het Woud van Baduhenna (misschien in Noord-Holland) moesten de Romeinen ter plekke zulke moerasbruggen aanleggen om überhaupt door het drassige woud vooruit te komen. Als de weg een rivier over ging, was er natuurlijk ook een brug nodig, maar dat was dan wel hele andere koek.

Een gereconstrueerd stukje Limesweg, dwars door Vleuten-De Meern. Kaarsrecht!
Een gereconstrueerd stukje Limesweg, dwars door Vleuten-De Meern. Kaarsrecht!

De beroemdste Romeinse weg in Nederland was natuurlijk de zogenaamde Limesweg, die min of meer langs de zuidoever van de Rijn liep en van fort naar fort ging, vaak zelfs dwars door de forten heen. Daar kwamen natuurlijk een hoop zijweggetjes uit, want vaak genoeg moest je afslaan. De laatste tientallen jaren is er steeds meer bekend geworden over deze weg, ook omdat er in de veengrond zoveel bewaard is gebleven. Er is dus best een goed beeld van waar de weg lag. De Limesweg was in Romeinse stijl vrij recht aangelegd tussen de verschillende punten die hij verbond, zodat het dus niet alleen snel was omdat het begaanbaar was maar ook omdat er stukken afgesneden werden. Zo liep er tussen de forten Fectio (Vechten) en Hoge Woerd (Vleuten-De Meern) een directe weg, zodat iemand op doorreis geen uitgebreide omweg hoefde te maken via Traiectum (Utrecht) dat een stuk noordelijker lag door een grote flauwe bocht die de Rijn daar maakte. Ook de wachttorens, die bij bochten in de rivier gebouwd werden, lagen niet per se vlakbij de weg.

De Romeinse weg aan de Maas, nagemaakt bij Boxtel. Maar of hij ook zulke tegels had...?
De Romeinse weg aan de Maas, nagemaakt bij Boxtel. Maar of hij ook zulke tegels had…?

De Limesweg mag dan de bekendste Romeinse weg van Nederland zijn, maar was zeker niet de oudste. Marcus Agrippa, die tussen 20 en 18 v. Chr. gouverneur van heel Gallië was (wat volgens de Romeinen tot aan de Rijn kwam), liet al een weg tussen Keulen en Boulogne aanleggen, de beroemde Via Belgica, die dus ook door Nederland liep. Vanuit Keulen liep de weg westwaarts. Waarschijnlijk kruist hij jullie 21e-eeuwse grens bij Rimburg en gaat zo via Coriovallum (Heerlen) en Traiectum ad Mosam (Maastricht) naar Tongeren. In allebei die tussenstops kon je ook nog afslaan op andere wegen. Vanuit Maastricht liep nog een weg richting oost, die uitkwam in Aquae Granni (Aken). Vanuit die plaats kon je noordwaarts reizen naar Heerlen en zo verder gaan op een weg die ten oosten van de Maas liep, tot je uiteindelijk uitkwam bij Xanten. Vanuit Maastricht liep een weg ten westen van de Maas naar Ceuclum (Cuijk), waar je over kon steken om naar Noviomagus (Nijmegen) te reizen.

De mijlpalen van Wateringse Veld stonden langs de Romeinse weg tussen Matilo en Helinium. Alleen niet tegelijkertijd.
De mijlpalen van Wateringse Veld stonden langs de Romeinse weg tussen Matilo en Helinium. Alleen niet tegelijkertijd.

Belangrijke stad als Noviomagus was, lag hier ook een kruispunt van wegen. Oostwaarts liep een weg naar het fort Carvium (Herwen), het punt waar de Waal zich van de Rijn afsplitste, zodat je een reis over de Limesweg naar Xanten aanzienlijk kon verkorten. Wie vanuit Noviomagus noordwaarts ging bereikte via Elst ook de Limesweg. Ook kon je vanuit Noviomagus de Waal naar het westen volgen, waarschijnlijk helemaal tot aan de monding ervan, het Helinium (Naaldwijk). Waar die weg precies liep is helaas onbekend. In Zuid-Holland liep uiteraard ook een weg langs het Kanaal van Corbulo, van Matilo (Leiden) naar Helinium, zodat je de daartussen gelegen stad Forum Hadriani (Voorburg) bereiken kon. Er zijn meerdere mijlpalen gevonden die dat laten zien, net als bij de wegen in Limburg. En dan zijn er nog tal van vermoede wegen, zoals eentje langs de kust en weet ik waar allemaal nog meer.

Paul van der Heijden red.), Romeinse wegen in Nederland, verscheen in 2016 bij uitgeverij Matrijs. Een aanrader!
Paul van der Heijden (red.), Romeinse wegen in Nederland, verscheen in 2016 bij uitgeverij Matrijs. Een aanrader!

Zonder de wegen zou het Romeinse leger en alle handel in het rijk natuurlijk helemaal nergens zijn. En ook deze soldaat was lang niet zo ver gekomen zonder de Romeinse wegen. Als je meer wil weten over Romeinse wegen, kan ik je nog het boek Romeinse wegen in Nederland aanraden. Benieuwd waar de wegen mij over een paar maanden weer heen zullen leiden. Want hoewel er meerdere naar Rome leiden, weet ik zeker dat ze dat niet allemaal doen. Ik wens jullie in elk geval een mobiel jaar!

L. Octavius Barbatus

twitter.com/OctaviusRomein

Colonia Claudia Ara Agrippinensium: niet op één dag gebouwd

keulenDat de Rijn de grens van het Romeinse rijk vormde blijkt wel uit alle forten en wachttorens die erlangs liggen. Tussen Xanten en Keulen, in Duitsland, vinden we castella zoals Asciburgium (Asberg), Gelduba (Gellep) Durnomagus (Dormagen), het legioenskamp Novaesium (Neuss) en meerdere wachtposten en mini-forten. Sommigen vatten alle militaire versterkingen op als een teken dat de Romeinse tijd vrij oorlogszuchtig en onveilig was, zodat er continue bewaking nodig was. Zij vergeten dat de bewaking eerder als voorzorg diende en dat uitgerekend de hoofdstad van deze provincie, Germania Inferior, aan diezelfde Rijn lag. Want ten zuiden van bovengenoemde forten vinden we Colonia Claudia Ara Agrippinensium, oftewel Keulen: de hoofdstad van Germania Inferior en van de gemeenschap van de stam der Ubiërs.

Marcus Vipsianus Agrippa gaf de Ubiërs toestemming om de westoever van de Rijn te bewonen en had hiermee een belangrijke rol in het ontstaan van Keulen.
Marcus Vipsianus Agrippa gaf de Ubiërs toestemming om de westoever van de Rijn te bewonen en had hiermee een belangrijke rol in het ontstaan van Keulen.

De Ubiërs stuurden waarschijnlijk al gezanten naar Caesar tijdens de Gallische Oorlog. Toen tijdens deze oorlog meer Germaanse stammen van achter de Rijn probeerden om Gallië binnen te komen, zaten de Ubiërs in een lastig pakket en vroegen Caesar om hulp tegen de Sueben. Toen Caesar de Eburonen in 54 v. Chr. ervan langs gaf, onderwierpen de Ubiërs zich nogmaals aan hem. Marcus Agrippa  gaf in 39 of 38 v. Chr. toestemming aan de Ubiërs om op de linkeroever van de Rijn te komen wonen, tussen de Rijn en de Ruhr. Hun nieuwe stad werd Oppidum Ubiorum (“burcht der Ubiërs”) of Ara Ubiorum (“altaar de Ubiërs”) genoemd. Wanneer de stad precies gesticht werd is onduidelijk, maar de jaartallen 37 en 19 v. Chr. zijn de voornaamste kandidaten. Bij de stad lag een brug over de Rijn. Al vroeg in de eerste eeuw werd aan de overzijde het fort Divita gesticht, groot genoeg voor 1000 soldaten, om de stad te beschermen.

De Romeinse havenstraat, nu nog te zien in het Römisch-Germanisch Museum.
De Romeinse havenstraat, nu nog te zien in het Römisch-Germanisch Museum.

Aanvankelijk werden er bij Ara Ubiorum twee legioenen geplaatst. Na de Varusslag in 9 na Chr. waren dit Legio I Germanica en Legio XX Valeria Victrix. Dit bleef echter niet zo. Vanaf 28 na Chr. werd de omgeving van Ara Ubiorum niet langer als militaire basis gebruikt, op een vlootbasis in het zuiden na. De belangrijkste militaire plaats in Germania Inferior werd hiermee Castra Vetera, bij Xanten, waar nog wel twee legioenen geplaatst zaten. Ara Ubiorum daarentegen werd de hoofdstad van Germania Inferior gemaakt en werd hiermee het centrum van zowel het militaire als burgerlijke bestuur. Pas in 54 na Chr. werd de stad waarschijnlijk uitgeroepen tot Colonia Claudia Ara Agrippinensium (CCAA), in veel boeken kortweg Colonia Agrippina of Colonia Agrippinensis genoemd. De bewoners werden op den duur niet zozeer Ubiërs maar eerder Agrippinensen genoemd.

Het capitool van Keulen, ontworpen als een kleinere versie van het beroemde Capitool in Rome.
Het capitool van Keulen, ontworpen als een kleinere versie van het beroemde Capitool in Rome.

Als colonia moet CCAA als een kleine versie van Rome zijn ontworpen. Er zal dus een Capitool geweest zijn, een heiligdom waar de Capitolijnse Drieëenheid (Jupiter, Juno en Minerva) werd vereerd. Dit was gebouwd op een kunstmatige heuvel, waar nu de Sint-Maria im Kapital staat. Een ander zeer belangrijk gebouw was het praetorium, het hoofdkwartier van de troepen in Germania Inferior, dat in deze tijd nog een militair grensdistrict was en derhalve militaristischer van aard. Met 3,5 hectare was het praetorium één van de grootste gebouwen in heel Germania Inferior, waarvan de oostelijke muur op de Rijn uit keek. Het was in ditzelfde gebouw dat gouverneur Vitellius in januari 69 tot keizer werd uitgeroepen, waarop hij met zoveel mogelijk troepen naar Rome marcheerde.

Schaalmodel van het praetorium in Keulen, waar de gouverneur-bevelhebber van Germania Inferior zetelde.
Schaalmodel van het praetorium in Keulen, waar de gouverneur-bevelhebber van Germania Inferior zetelde.

De Ubische bevolking leed in de herfst van 69 onder invallen van Germaanse stammen van achter de Rijn, zoals de Chatten en Mattiaci, toen die zich bij de Bataafse opstand aansloten. Weliswaar wist men CCAA nog een tijdje veilig te stellen, maar wellicht creëerde dit een vals gevoel van veiligheid, zodat er begin 70 een heuse samenzwering in een woonhuis van de stad werd opgezet: de Treverische commandanten Julius Tutor en Julius Classicus en de Lingonische hoofdman Julius Sabinus kwamen hier met wat vertegenwoordigers van de Ubiërs en Tungri bijeen om te bespreken hoe zij zich zo listig mogelijk bij de opstand konden aansluiten. Sabinus droomde hierbij zelfs van een Gallisch keizerrijk met hemzelf aan het hoofd. Toen de Romeinse officier Gaius Dillius Vocula lucht kreeg van de samenzwering trok hij in zijn eentje naar de stad, maar ontmoette daar tot zijn verrassing Claudius Labeo, de neef van Julius Civilis, die aanbood om hem te helpen de opstand tegen te werken.

Met behulp van een list wisten de Agrippinensen de rebellen die hun stad bezetten in de val te lokken.
Met behulp van een list wisten de Agrippinensen de rebellen die hun stad bezetten in de val te lokken.

De plannen mochten niet baten, want in de weken daarna wonnen de rebellen alleen maar aan terrein, tot Classicus uiteindelijk voor de poorten stond en de stad dwong trouw te zweren aan het Gallische rijk. Kort daarna hadden de rebellen bijna alle forten veroverd. De Germaanse bondgenoten achter de Rijn drongen aan op plundering van CCAA, erop wijzend dat de bevolking zijn Germaanse afkomst verraden zou hebben door in deze zeer Romeinse stad te wonen die van Germaanse reizigers die de stad in wilden een tol eiste en hen verbood wapens te dragen. Civilis en Classicus zagen hier echter geen heil in omdat dit de steun voor de opstand in de streek kon doen afbrokkelen en omdat Civilis’ zoon zich nog als gijzelaar in de stad bevond. Van de Tencteren moesten de muren in elk geval worden afgebroken, maar de Agrippinensen zeiden tactvol dat ze de tol op zouden heffen en dat de muren beter konden blijven staan om een beleg van Romeinse heroveringstroepen te weerstaan. De Agrippinensen speelden het spel slim, want toen de Romeinse legioenen van Cerialis naar het noorden oprukten, waren ze erin geslaagd de Friese en Chaukische krijgers die de stad bezetten dronken te voeren en op te sluiten in een gebouw dat vervolgens in brand gestoken werd. Tevens konden ze de vrouw en zuster van Civilis en de dochter van Classicus, alle drie achtergelaten als gijzelaars, aan Cerialis uitleveren.

CCAA in haar gloriedagen. Middenin het forum, herkenbaar aan zijn halve cirkelvorm. Ten oosten daarvan, bij de Rijn, ligt het praetorium.
CCAA in haar gloriedagen. Middenin het forum, herkenbaar aan zijn halve cirkelvorm. Ten oosten daarvan, bij de Rijn, ligt het praetorium.

De Agrippinensen hadden op de juiste kaarten ingezet, want uiteindelijk verloren Civilis en zijn rebellen de strijd. CCAA had zware klappen gehad maar had overleefd en bloeide hierna op als nooit tevoren en bereikte op zijn hoogtepunt een omvang van bijna een vierkante kilometer. Toen Germania Inferior in de jaren 80 van de eerste eeuw tot “echte” provincie verheven werd, werd het praetorium van de opperbevelhebber omgedoopt tot het paleis van de voortaan civiele gouverneur. De stad bevatte tempels voor onder andere Mars, Mithras, Isis, Serapis, Rhenus (de Rijn) en Portunus, de god van de havens en rivierhandel. Als knooppunt tussen de Rijn en de Via Belgica, een belangrijke handelsweg die vanuit Boulogne naar het oosten liep, was CCAA de rivier dan ook veel verschuldigd. Vanuit de Belgische en Limburgse lössgrond werden er grote hoeveelheden graan en ander voedsel aangevoerd om via de Rijn naar de militaire versterkingen verspreid te worden. Verder bevatte de stad waarschijnlijk een gokhuis en was het de enige stad in Germania Inferior die naast een amfitheater ook een daadwerkelijk theater had voor toneelstukken. Daarnaast wemelde het er al van de ambachtslieden. Er werd zelfs al een soort eau de Cologne geproduceerd!

Postumus kwam bij Keulen in opstand tegen onderkeizer Saloninus en riep zijn eigen keizerrijk uit.
Postumus kwam bij Keulen in opstand tegen onderkeizer Saloninus en riep zijn eigen keizerrijk uit.

De stad raakte opnieuw in de problemen tijdens de Crisis van de Derde Eeuw, hoewel het de enige stad in Germania Inferior was die in die eeuw nog groei doormaakte en 25000 inwoners telde. In 260, toen de troepen van generaal Postumus in opstand kwamen tegen onderkeizer Saloninus, werd de stad waarin de laatstgenoemde zich bevond belegerd. Men zegt wel dat er zodoende twee Gallische keizerrijken in Keulen zijn uitgeroepen, maar dat is niet echt waar: het eerste Gallische keizerrijk kwam sowieso nooit echt van de grond en het tweede werd in zijn eigen tijd nooit zo genoemd, maar staat enkel bekend omdat de machtsbasis zich in Gallië concentreerde zonder zich ooit op de verovering van Rome te richten. In plaats daarvan werden er residenties in de Gallische provincies gebouwd, waaronder in CCAA.

Een stuk stadsmuur van CCAA, nog steeds zichtbaar in het hedendaagse Keulen.
Een stuk stadsmuur van CCAA, nog steeds zichtbaar in het hedendaagse Keulen.

Het Gallische rijk viel in 276 toen keizer Aurelianus het heroverde – een zet die de grensprovincie lelijk uitdunde. Hoewel Colonia Agrippina bleef bestaan, was het achterland van de stad aanzienlijk dunner bevolkt. In 280 probeerden twee officieren genaamd Bonosus en Proculus het werk van Postumus dunnetjes over te doen door vanuit Keulen hun eigen onafhankelijke rijk uit te roepen, maar dit was van korte duur. Tussen deze tijd en de vroege 4e eeuw zal er voor het eerst christendom zijn opgedoken in Keulen, wat hiervoor al vele cultussen uit verschillende delen van het rijk kende. Goden als Isis, Serapis en Mithras waren populair onder Romeinse veteranen, waar het in de stad van wemelde, maar Constantijn de Grote maakte in een decreet interessant genoeg ook melding van een aanzienlijke Joodse minderheid.

In de loop van de 5e eeuw kwam Keulen in Frankische handen terecht. De Romeinen waren niet sterk genoeg om er directe controle over te houden.
In de loop van de 5e eeuw kwam Keulen in Frankische handen terecht. De Romeinen waren niet sterk genoeg om er directe controle over te houden.

Ondanks dat Keulen groot en belangrijk bleef kreeg de stad in de vierde eeuw enkele gevoelige klappen, vaak als er weer Germaanse invallers zoals de Franken of Alemannen het rijk binnendrongen. Rond 355 was de stad in Germaanse handen, maar de nieuwe onderkeizer Julianus wist hem te heroveren. Hoewel de stad weer in Romeinse handen was en van groot belang bleef, was dit wel een keerpunt. De rijke economie herstelde hierna niet meer helemaal. Een halve eeuw hierna verloren de Romeinen alle controle over de Rijngrens, hoewel men aanspraak op Keulen bleef maken. In de vijfde eeuw leed de stad onder invallen van de Bourgonden en Hunnen: niet de Romeinen maar de Franken ontzetten Keulen. In 456 zag de Romeinse generaal Aegidius zich gedwongen om toe te geven dat Keulen een Frankische stad was geworden. Toch bleef de Romeinse erfenis hangen. Keulen werd een aartsbisdom waarvan de kerkprovincie tot in de 16e eeuw over de hele Lage Landen reikte; de aartsbisschop bestuurde de stad zelf en had zelfs de titel van keurvorst. Tot op de dag van vandaag zijn er resten van de Romeinse stadsmuren te zien.

Castra Vetera en Colonia Ulpia Traiana: Romeins Xanten

coloniaCastellum Carvo, in de Bijlandse Waard bij Herwen, is het meeste oostelijke Rijnfort in Nederland. De Limes van Germania Inferior ging echter natuurlijk gewoon door. Wie bij de splitsing van Rijn en Waal aankwam, kon destijds zuidwestwaarts gaan richting Nijmegen, of de Limesweg zuidwaarts nemen. De reiziger zou in eerste instantie wat castella tegenkomen: Arenacum (Rindern), Quadriburgium (Qualburg), Burginatium (tussen Kalkar en Kehrum) waren de belangrijkste op de route. Zo komen we uiteindelijk bij Xanten. Deze stad en het nabijgelegen dorp Birten bevatten opmerkelijk genoeg niet alleen twee legioenskampen of castrae maar ook een echte Romeinse stad of colonia!

Tiberius' strijd met de Sugambren was cruciaal voor de vorming van de bevolking rondom Castra Vetera.
Tiberius’ strijd met de Sugambren was cruciaal voor de vorming van de bevolking rondom Castra Vetera.

Castra Vetera werd als uitvalsbasis opgericht door Drusus rond 12 v. Chr. op de heuvel die nu de Fürstenberg heet. De heuvel was uiterst strategisch omdat hij niet alleen bij de Rijn maar ook bij de Lippe lag. Of de naam wijst op een oud fort of op een verbastering van een inheems woord is onduidelijk. Inheemse bewoning in de omgeving moet beperkt geweest zijn. Dit veranderde toen Tiberius in 8 na Chr. de Sugambren versloeg en een groot deel van de overlevenden dwong te verhuizen naar de grond in de omgeving van de Castra, waar zij met de plaatselijke bevolking samensmolten. De Romeinen bestempelden de oude en nieuwe bewoners prompt als Cugerni en wezen het gebied zodoende als hun civitas aan. De verplaatste Sugambren konden mooi in de gaten gehouden worden door twee legioenen, terwijl de achtergeblevenen te zwak waren om nog een gevaar te vormen. Cibernodurum (“markt der Cugerni”) werd het bestuurscentrum van de nieuwe civitas en lag waarschijnlijk ook bij Xanten in de buurt. Misschien bestond de nederzetting al enkele eeuwen.

Het enorme Castra Vetera I. Ten zuiden een grote vicus met amfitheater. Cibernodurum lag ten noordwesten hiervan.
Het enorme Castra Vetera I. Ten zuiden een grote vicus met amfitheater. Cibernodurum lag ten noordwesten hiervan.

Welke legioenen er aanvankelijk in Castra Vetera I geplaatst waren is onduidelijk, maar er zijn sporen van Legio XVIII en Legio XVII gevonden. Het eerstgenoemde maakte ook deel uit van de Varusslag. Deze slag, in 9 na Chr., was een ramp voor de Romeinen en betekende de vernietiging van 3 legioenen. In allerijl keerde Tiberius terug naar de Rijngrens om deze te redden: Castra Vetera werd herbouwd en kwam onder bevel van Lucius Nonius Asprenas. Uiteindelijk werd de vesting uitgebreid en werd hij zo groot dat er twee legioenen in pasten! Legio V Alaudae en XXI Rapax werden er geplaatst en namen deel aan de campagnes van Germanicus (14-16 na Chr.). Eind jaren 20 en begin jaren 30 van de eerste eeuw werd het fort afgebrand – misschien wel door de Romeinen zelf met het oog op renovatie – en herbouwd. In het jaar 43 werd Legio XXI Rapax overgeplaatst en vervangen door Legio XV Primigenia, dat kort daarvoor opgericht was. Begin jaren 60 werd het nogmaals herbouwd.

De soldaten van Castra Vetera die tijdens de Bataafse opstand moesten uitrukten kwamen in ernstige problemen toen de Bataafse cavalerie overliep.
De soldaten van Castra Vetera die tijdens de Bataafse opstand moesten uitrukten kwamen in ernstige problemen toen de Bataafse cavalerie overliep.

Toen in 68 na Chr. een einde kwam aan de regering van keizer Nero, bevatte Castra Vetera nog steeds Legio V Alaudae en Legio XV Primigenia. Legio V trok het jaar daarop naar Rome om Vitellius aan de macht te helpen, maar in de zomer dat jaar kreeg het achtergebleven restant samen met Legio XV de opdracht om de opstandige Cananefaten en Bataven in het westen van Germania Inferior een lesje te geven, nadat die de Romeinsgezinde troepen in het rivierengebied hadden verslagen. Munius Lupercus, de bevelhebber van Legio XV, maakte echter de fout om naast Ubische en Treverische hulptroepen ook de Ala Batavorum mee te nemen in de opstelling. De troepen van Lupercus werden verraden door de Bataafse cavalerie maar wisten zich met relatief weinig verliezen in Vetera terug te trekken. In allerijl wist Lupercus de burgerlijke nederzetting bij het kamp te vernietigen en de wallen te laten versterken. Maar goed ook, want de Germaanse rebellen en hun medestanders van achter de Rijn stonden al snel voor de deur. Ook de ontevreden Cugerni hadden zich bij de opstand aangesloten.

Het zwaar onderbezette Vetera I wist met veel moeite een maandenlang beleg te doorstaan, maar moest een vreedzame overgave duur bekopen!
Het zwaar onderbezette Vetera I wist met veel moeite een maandenlang beleg te doorstaan, maar moest een vreedzame overgave duur bekopen!

Hoewel Vetera met maar 5000 troepen en wat onervaren burgers duidelijk onderbezet was, hield het de belegering lange tijd vol. Dit mede omdat de Romeinse belegeringstactieken voor de Germanen erg nieuw waren. Een poging van de andere legioenen om Vetera te ontzetten bleef niet uit en tegen eind november vond er een slag plaats vlak voor het fort. Een uitval van de belegerde Romeinen besliste de strijd in hun voordeel, maar zodra de aanwezige versterkingen vertrokken naar het zuiden kwamen de rebellen weer tevoorschijn om het beleg te hervatten. Een tweede poging om het fort te ontzetten liep lelijk mis omdat de Gallische hulptroepen plotseling ook opstandig bleken. Tegen die tijd had men in Vetera de meeste paarden en lastdieren al op moeten eten. Uiteindelijk werd er toegezegd het beleg op te heffen als de Romeinen in Vetera hun wapens, kostbaarheden en andere goederen afstonden en trouw zouden zweren aan het nieuw uitgeroepen Gallische keizerrijk. Toen zij het fort verlieten werden ze echter alsnog aangevallen en werd Vetera I verwoest. Rebellenleider Julius Civilis kon zijn haar, dat hij gezworen had te laten groeien tot hij de Romeinen overwonnen had, triomfantelijk kort knippen.

Het amfitheater van Traiana, gereconstrueerd in Xanten.
Het amfitheater van Traiana, gereconstrueerd in Xanten.

Uiteindelijk keerde het tij: de opstandelingen werden weer noordwaarts gedreven en moesten uiteindelijk om onderhandelingen vragen. Civilis hield hierbij vol dat de verwoesting van Vetera tegen zijn wil gebeurd was, door manschappen die hij niet in de hand had weten te houden. Toen de vrede hersteld was, werd er een tweede Castra Vetera gebouwd. Ook Cibernodurum werd herbouwd. Castra Vetera II werd gebouwd door Legio XXII Primigenia en lag een stuk oostelijker. In tegenstelling tot Vetera I bevatte Vetera II maar één legioen, want het tweede legioen van Germania Inferior werd na de opstand aanvankelijk in Noviomagus geplaatst. Toen Legio XXII Primigenia verplaatst werd, werd de bezetting van het fort begin 2e eeuw door Legio VI Victrix overgenomen.

Colonia Ulpia Traiana, oftewel Xanten in zijn hoogtijdagen, hier gezien vanuit het noordoosten, waar het amfitheater lag.
Colonia Ulpia Traiana, oftewel Xanten in zijn hoogtijdagen, hier gezien vanuit het noordoosten, waar het amfitheater lag.

Cibernodurum, dat na de opstand herbouwd was, kreeg tussen 98 en 107 de status van colonia toegewezen en werd hiermee een echte Romeinse stad. Volgens gebruik nam de stad de naam aan van de regerende keizer, in dit geval Marcus Ulpius Traianus, en werd derhalve Colonia Ulpia Traiana genoemd. Er woonden ongeveer 10.000 mensen in de 3,4 vierkante kilometer grote stad, die in Germania Inferior alleen door Keulen overtroffen werd. Het badhuis had ongeveer hetzelfde ontwerp als in Heerlen, maar was wel vier keer zo groot! Daarnaast stonden er een flink amfitheater, stadsmuren, een forum en basilica (een soort stadhuis) en tempels voor verschillende Romeinse en inheemse goden. Naast een flinke hoeveelheid ambachtslieden zal de stad en omgeving ook veel boeren hebben bevat, want de legioensoldaten hadden veel graan, melk en vlees nodig. De stad was zo welvarend en spraakmakend, dat de Cugerni op den duur steeds meer bekend stonden als de Trajanensen.

De Crisis van de Derde Eeuw bracht de welvaart gevoelige klappen toe, nadat deze in de tweede helft van de 2e eeuw al was gaan dalen. Een grote Frankische inval rond 260 was rampzalig, hoewel Colonia Ulpia Traiana overleefde, misschien ook omdat de zogenaamde Gallische keizer Postumus het tij wist te keren. Een nieuwe inval rond 275, toen keizer Aurelianus het Gallische keizerrijk heroverd had en hierbij de grenslegers ernstig uitdunde, was veel ernstiger. Tegelijkertijd begon de grond in de omgeving ook uitgeput te raken. In deze tijd werd Traiana dus grotendeels een spookstad, terwijl Castra Vetera door Legio XXX Ulpia Victrix bezet werd. Pas eind 3e en begin 4e eeuw eeuw wisten Constantius Chlorus en zijn opvolger Constantijn de Grote de orde te herstellen: de stad werd herbouwd en kreeg opvallend stevige muren. Waarschijnlijk werd het legioen overgeplaatst naar het centrum van de stad, die nu als garnizoensstad dienen ging. Een beperkt aantal gevonden munten hiervan doet echter vermoeden dat dit alleen in crisistijd gebeurde.

Archeologisch Park Xanten volgt keurig de plattegrond van de stad. (Zie de luchtfoto bovenaan het artikel.)
Archeologisch Park Xanten volgt keurig de plattegrond van de stad. (Zie de luchtfoto bovenaan het artikel.) De paarse lijn geeft de omtrek van Tricensimae weer.

De nieuwe vestingstad kreeg de naam Tricensimae. Ook deze stad ontkwam niet aan de meer woelige tijden die Germania Inferior tijdens het Dominaat onderging. In 351 werd de stad door de Franken ingenomen om in 359 heroverd te worden, maar de stadsmuren ondervonden ernstige schade van beide veroveringen. Kort na het jaar 400 slaagden de Romeinen, geplaagd door interne problemen, er niet meer in om de controle te herstellen. De vesting van Tricensimae werd uiteindelijk ook opgegeven. De stenen werden in de eeuwen daarna als bouwmateriaal gebruikt of verkocht. Het gebied werd echter niet opnieuw bebouwd, zodat er in de moderne tijd uitgebreid onderzoek gedaan kon worden. Vetera II werd door de verschuiving van de Rijn naar het zuiden weggespoeld. Op deze plek ligt nu een natuurpark genaamd Bislicher Insel. Op de plek van Colonia Ulpia Traiana en Tricensimae staat tegenwoordig het Archeologisch Park Xanten, waarin enkele gebouwen zoals de Thermen en het amfitheater gereconstrueerd zijn.

Atuatuca Tungrorum: het Romeinse Tongeren

Tongeren AmbiorixNa afgelopen jaar de Romeinse plaatsen in Nederland te hebben behandeld, zullen we in elk geval de belangrijkste steden uit de rest van Germania Inferior, waar het grootste deel van Romeins Nederland toe behoort, behandelen. Tot deze Romeinse provincie behoorden ook Duitsland ten westen van de Rijn (van Remagen tot aan Nederland) en het noordoosten van België. Vanuit de hoofdstad Keulen liep een belangrijke weg naar het westen, de zogenaamde Via Belgica. Wie deze weg vandaag de dag volgt zal daarbij door Zuid-Limburg trekken, om via Maastricht aan de grens met België te komen. Daar kun je, via de Maastrichtersteenweg, in een uur of 3 aankomen in de stad die bekend staat als de oudste van België, namelijk in Tongeren.

Gouden munt van de Eburonen, met op de keerzijde een paard in Keltische stijl. Door hun edelmetaal om te smelten en er munten van te slaan konden de Eburonen bondgenootschappen kopen en hun bezit veiligstellen.
Gouden munt van de Eburonen, met op de keerzijde een paard in Keltische stijl. Door hun edelmetaal om te smelten en er munten van te slaan konden de Eburonen bondgenootschappen kopen en hun bezit veiligstellen.

De naam Atuatuca lijkt te verwijzen naar de Atuatuci of Aduatieken, een Belgische stam die Caesar in zijn verslag van de Gallische oorlog noemt als verslagen tegenstanders. De naam Atuatuca gebruikt Caesar echter voor het oppidum waar hij de Eburonen onder Ambiorix verslagen had, een paar jaar later. Waar het Eburoonse machtscentrum zich exact bevond is niet duidelijk en het is nog maar de vraag of het latere Atuatuca, waar Tongeren nu ligt, er wel mee overeenkomt. Regio’s als Nederlands Zuid-Limburg of zelfs Noord-Brabant zijn ook gesuggereerd. Er zijn overigens ook theorieën dat de term Atuatuca gewoon het inheemse woord voor een burcht was.

Het gebied van de Tungri moet zich vooral in Belgisch Limburg en Nederlands Zuid-Limburg geconcentreerd hebben.
Het gebied van de Tungri moet zich vooral in Belgisch Limburg en Nederlands Zuid-Limburg geconcentreerd hebben.

Caesar beweerde de stam der Eburonen volledig uitgeroeid te hebben, al wijst pollenonderzoek in de regio hier helemaal niet op. Vermoedelijk gaat het dus vooral om het uitschakelen van de politieke elite, degenen die zich blijkbaar als Eburonen zagen. Dit biedt ook enige discussie over de aard van de Tungri, die in de eerste eeuwen na Christus de Belgische provincie Limburg en de omgeving ervan bewoonden. Het zou net als bij de Bataven en Ubiërs een groep van achter de Rijn kunnen betreffen die met Romeinse toestemming het gebied binnentrok en de achtergebleven bevolking absorbeerde, maar het zou ook kunnen dat de Tungri behoren tot de overlevenden van de opstand van Ambiorix. Weliswaar worden de Tungri door de Romeinen onder Germanen gerekend, maar dit gold ook al voor de Eburonen. Tacitus beweert dat Tungri een nieuwe naam voor de Germanen was, maar hoe hij dit precies bedoelt is erg onduidelijk.

De Gallo-Romeinse tempel van Tongeren, gereconstrueerd in het Gallo-Romeins Museum.
De Gallo-Romeinse tempel van Tongeren, gereconstrueerd in het Gallo-Romeins Museum.

Hoe het ook zij, na de Gallische Oorlog werd er mogelijk een legerkamp opgericht op de plaats waar Tongeren nu ligt, hoewel het bewijs hiervoor moeilijk te vinden is. De oudste sporen van bewoning gaan terug op 30 v. Chr. Als er een legerkamp gestaan heeft werd dit waarschijnlijk ontruimd rond 15 v. Chr., toen keizer Augustus besloten had om Gallië verder te integreren in het rijk en om te expanderen in Germania. Rond die tijd vestigden veel Tungri zich op de plek waar het kamp gestaan had. Hierdoor waren er al verdedigingswerken gereed en stonden er al straten in dambordpatroon. Zodra de Tungri hun eigen civitas kregen, werd de stad als hoofdplaats hiervan aangewezen en bestempeld als Atuatuca Tungrorum, het Atuatuca (al dan niet “de burcht”) van de Tungri!

De werkelijke funderingen van het tempelcomplex.
De werkelijke funderingen van het tempelcomplex. De tempel was ouder dan de stadsmuren zelf.

Door de strategische positie aan de Via Belgica en de Jeker, evenals de status van hoofdstad van een civitas, floreerde Atuatuca behoorlijk. Wie de Via Belgica zuidwestwaarts volgde kon Bagacum (Bavay) en uiteindelijk Gesoriacum (Boulogne-sur-Mer) bereiken, terwijl de route in oostelijke richting naar Mosae Traiectum en uiteindelijk naar Colonia Agrippina ging. Daarnaast kruisten er nog wat wegen met de Via Belgica in Atuatuca. Richting het westen liep een weg die waarschijnlijk naar het land van de Menapiërs in West-Vlaanderen ging. Er waren ook twee zuidelijke wegen, waarvan eentje richting Augusta Treverorum (Trier).

Een zichtbaar deel van de Romeinse stadsmuur in de Cesarlaan.
Een zichtbaar deel van de Romeinse stadsmuur in de Cesarlaan.

In 70 na Chr. werd dit korte tijd lelijk verstoord door de Bataafse opstand. Toen de Tungri weigerden zich aan te sluiten bij de rebellen, moesten zij dit bekopen met een grote aanval op de stad, die vaak als verwoesting uitgelegd is. Daar moet bij gezegd worden dat de stad na de opstand nog steeds bestond en gewoon doorzette. In de tweede eeuw werd de stad steeds vaker Municipium Tungrorum genoemd, wat veel mensen net als bij Nijmegen en Voorburg zien als een soort beperkte stadsstatus, maar wat vermoedelijk niet meer is dan een wijziging in taalgebruik. Dat er qua status dus geen vernieuwing was en de stad een periode van vrede en voorspoed doormaakte, weerhield Atuatuca er niet van om stevige muren te hebben van twee meter dik, met een totale lengte van vier kilometer. Delen ervan zijn nog steeds te zien.

De Jupiterzuil van Tongeren. De schubbige structuur van de zuil inspireerde dezelfde vorm voor de Jupiterzuil in Archeon, waar Jupiter echter op een troon zit.
De Jupiterzuil van Tongeren. De schubbige structuur van de zuil inspireerde dezelfde vorm voor de Jupiterzuil in Archeon, waar Jupiter echter op een troon zit.

Binnen de stad lagen typische gebouwen, zoals een badhuis op de plek waar nu de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek staat. Daar vlakbij, op de Grote Markt, zou het forum gelegen kunnen hebben. Er lagen ook meerdere tempels. zoals eentje aan de noordwest-zijde van de stad. Een speciale vondst uit Tongeren is de top van een Jupiterzuil, die Jupiter uitbeeldt als een ruiter die een Gigant bevecht. Dat is opvallend, want Romeinse goden worden zelden te paard afgebeeld, wat doet vermoeden dat de afbeelding is beïnvloed door een inheemse god. Rondom de stad wemelde het van de grafvelden en villa’s. Ook liep er een aquaduct vanuit het westen naar de stad. In feite was dit aquaduct een 6 kilometer lange aarden wal.

Een klein standbeeld voor Julianus in Tongeren herinnert aan zijn grote rol in de Romeinse strijd met de Franken aldaar. De stad onderging veel schade door de oorlogen.
Een klein standbeeld voor Julianus in Tongeren herinnert aan zijn grote rol in de Romeinse strijd met de Franken aldaar. De stad onderging veel schade door de oorlogen.

De Crisis van de Derde Eeuw maakte een einde aan de voorspoed, maar in tegenstelling tot Forum Hadriani en Noviomagus was dit blijkbaar geen doodssteek voor Atuatuca. Wel werden er in de vierde eeuw nieuwere, stevigere muren gebouwd, met de voor die tijd zo typisch halfcirkelvormige torens. Atuatuca werd nu een garnizoensstad, waar een ploeg ruiters werd gelegerd die in geval van nood aan de grens razendsnel kon uitrukken om te hulp te schieten. Als economisch centrum van de regio werd Atuatuca echter langzaam aan door Mosae Traiectum overschaduwd. Een interessant wapenfeit is de ontmoeting tussen de leiders van de Salische Franken en onderkeizer Julianus in 358. Hoewel deze onderhandelingen op niets uitliepen, zijn ze een belangrijk onderdeel in de campagnes van Julianus, die kort erna een verrassingsaanval opende op de Franken. Julianus is in Tongeren dan ook niet vergeten. Later in diezelfde eeuw liet bisschop Servatius de eerste bekende christelijke kerk bouwen in Tongeren.

Het Gallo-Romeins Museum staat niet voor niets in Tongeren. En er is een hoop moois te zien!
Het Gallo-Romeins Museum staat niet voor niets in Tongeren. En er is een hoop moois te zien!

Wie heden ten dage naar Tongeren gaat, kan her en der nog duidelijk delen van de oude stadsmuren zien. Veel vondsten uit de stad, maar ook uit andere delen van België, zijn te zien in het Gallo-Romeins Museum. De naam van Julianus is verwerkt in een klein winkelcentrum. Een klein standbeeldje voor de keizer staat in de Maastrichterstraat. Dat valt echter in het niet bij het enorme standbeeld van Ambiorix op de Grote Markt. Het uiterlijk van het beeld is pure fantasie, al maakt dat de aanblik niet minder indrukwekkend. Wel ironisch dat het beeld schittert in de stad die genoemd is naar de Tungri, die eigenlijk profiteerden van zijn grote nederlaag.