De bevolking van Nederland in de Romeinse tijd: van hokjesgeest naar multiculturele frontierzone

kaartOver de bevolking van Nederland in de eerste vier eeuwen van onze jaartelling zijn een hoop algemene misvattingen. Deze beginnen al bij het onderwerp zelf, want de naam “Nederland” geeft al een verkeerd beeld: Nederland bestond immers nog niet en er was geen gedefinieerde Nederlandse bevolking. In meer nationalistische tijden heeft men getracht de toenmalige bevolking als één volk neer te zetten en als de voorouders der Nederlanders, die een duidelijk afgebakend gebied bewoonden: het Nederlandse grondgebied. Niets is echter minder waar.

De huidige grenzen lagen niet vanzelfsprekend vast en de bevolking vertoonde maar weinig samenhang. Van het zuiden van het tegenwoordige Nederland, viel het grootste gedeelte de hele periode onder Germania Inferior (later Germania Secunda) maar niet alles. Het noorden was meerdere keren als vazal aan het Romeinse rijk verbonden, als een perifere bufferzone. Ook de naam Germania is ietwat misleidend. De Romeinen hadden de plaatselijke bevolking inderdaad bij de Germanen ingedeeld, maar dit was vrij arbitrair, want er lijken veel elementen van de La Tène-cultuur aanwezig, die men traditioneel als Keltisch beschouwd (hoewel dat ook wat te kort door de bocht is). Mogelijk behoorde een groot deel van Noordwest-Europa tot het Noordwestblok, dat van Keltische noch Germaanse origine was en qua cultuur elementen van beide had overgenomen.  De Romeinen beschouwden de verschillende groepen bevolking als “stammen”, mede uit een superioriteitsgevoel, maar vaak was de indeling van de stammen en de naamgeving ervan ook door de Romeinen zelf bepaald. Hiermee wordt het traditionele beeld al aardig omver geschopt. Daar komt nog eens bij dat de Romeinse troepen en hun aanhang zich op den duur onder de bevolking mengden, maar van de andere kant waren zij ook van gemengde etnische afkomst, zodat de culturele frontier-zone nog gemengder werd.

bataven

De Samenzwering van Claudius Civilis, door Rembrandt van Rijn. In de 17e eeuw trok men in Holland graag de parallel tussen de Bataafse en de Nederlandse Opstand, waarbij men de geschiedenis graag door een gekleurde bril bekeek. Rembrandt had duidelijk geen idee hoe de Bataven eruit zagen.

De Bataven zijn zo’n “stam” waarvan we tegenwoordig niet meer met zekerheid durven zeggen of zij Keltisch, Germaans of geen van beide waren. In de loop der eeuwen zijn zij veel geassocieerd met heel Nederland, maar in feite concentreerde de Bataafse bevolking zich op het Insula Batavorum, het Bataveneiland tussen Maal en Waas. Mogelijk strekte hun gebied zich uit tot in Noord-Brabant en Utrecht, evenals een stukje van Duitsland. Volgens Tacitus waren de Bataven een afscheiding van de Chatten, die mogelijk in de tijd van Julius Caesar al op afspraak met de veldheer op het Bataveneiland mocht gaan wonen. De stam die tot dan toe Noordoost-België en Zuidoost-Nederland had beheerst, de Eburonen, zou door Caesar zijn uitgeroeid. Waarschijnlijker is dat Caesar vooral de aristocratische top van de Eburonen uitmoordde en hen zo hun politieke betekenis ontnam, waarna de bovenlaag van de omliggende stammen zich als nieuwe machthebbers opwierp. Dit zou dus ook voor de Bataven kunnen gelden. Het is niet duidelijk of de Betuwe naar hen genoemd is, of juist andersom. In tegenstelling tot wat veel mensen denken was er geen sprake van een gelijkwaardig bondgenootschap met de Romeinen, maar eerder van een geweldloze onderwerping in ruil voor relatief milde wetgeving. Zij betaalden geen materiële schatting, maar leverden in plaats daarvan buitengewoon veel hulptroepen. Het politieke belang van de Bataven in de regio blijkt uit hun leidende rol in de opstand, hoewel er ook bondgenoten op meer gelijke voet meevochten.

De indeling van de belangrijkste "stammen" in Noordwest-Europa rond 150 AD. Wijzigingen in de kustlijn zijn op deze kaart genegeerd. (bron: wikimedia commons)

De indeling van de belangrijkste “stammen” in Noordwest-Europa rond 150 AD. Wijzigingen in de kustlijn zijn op deze kaart genegeerd.

Net als de Bataven zijn ook de Frisii of Friezen nog altijd erg beroemd. Een eerste misvatting over hen is dat zij vooral in Friesland zouden wonen. De Friezen woonden echter ook in Noord-Holland en Groningen, in twee bevolkingsconcentraties. De Romeinen noemden de concentratie ten westen van het Flevomeer de Kleine Friezen en de groep in het oosten de Grote Friezen. Een tweede misvatting is dat de Friezen altijd onafhankelijk zijn geweest van de Romeinen. Al in 12 v. Chr. werden zij door Drusus (opnieuw geweldloos) onderworpen. In 28 na Chr. kwamen zij weliswaar in opstand en versloegen de Romeinse troepen, maar het fort bij Velsen was een paar jaar later alweer in gebruik en er bleef nog lang sprake van Friese hulptroepen. Ook zijn er nog meerdere veldtochten ten noorden van de Rijn geweest en hadden de Friezen waarschijnlijk een vazalstatus. Ook zij vochten mee in de Bataafse opstand. De derde en meest voorkomende misvatting is ook de begrijpelijkste: door de naam Frisii zijn wij geneigd te denken dat het hier om voorouders van de moderne Friezen gaat. Daar is echter maar weinig kans op, net zo min als de Bataven voorouders van alle Nederlanders zijn. Tussen 235 en 270 werd ons land geplaagd door invallen van Germanen uit het oosten, en werd de Rijngrens verwaarloosd omdat de troepen elders werden ingezet. Bovendien waren er ook meer overstromingen dan ooit, mede doordat de uitgeputte veengrond ernstig verzakte. De bij de kampen woonachtige burgerbevolking trok mee met de soldaten van wie zij economisch afhankelijk was, maar ook elders sloegen mensen op de vlucht zodat het land behoorlijk ontvolkte. Archeologisch onderzoek toont aan dat de meeste Friese terpen en de westkust verlaten werden. De zogenaamde Friese mythe wordt hiermee voorgoed naar het rijk der fabelen verwezen.

Afgiestel van een boemerang uit 550 v. Chr., gevonden bij Velsen. Blijkbaar was dit een populair jachtwapen in onze streken, maar de Romeinse schrijvers lijken er niet van geweten te hebben.

Afgiestel van een boemerang uit 550 v. Chr., gevonden bij Velsen. Blijkbaar was dit een populair jachtwapen in onze streken, maar de Romeinse schrijvers lijken er niet van geweten te hebben.

Een derde bevolkingsgroep woonde in Zuid-Holland en staat bekend als de Cananefaten. De Cananefaten zijn niet zo beroemd als de Bataven en Friezen, maar zijn in de geschiedenisboeken toch vrij prominent aanwezig. Tot voor kort sprak men vaker van Kaninefaten, wat vaak foutief wordt vertaald als “konijnenvatters”. Er is echter geen enkel bewijs dat de bevolking in de vroege keizertijd een taal sprak die aan het moderne Nederlands verwant is en konijnen werden hier geïntroduceerd door de Romeinen zelf. De naam Cananefaten betekent eerder “lookmeesters”, wat komt van het Keltische cannene (prei of look) en het Germaanse fates (meesters). Dit zou kunnen duiden op een Keltische onderlaag, overheerst door een Germaanse aristocratie. Het is mogelijk dat die aristocratie met de Bataven meekwam, want Tacitus merkt op dat de Cananefaten in afkomst, cultuur en moed veel op de Bataven lijken. De Romeinse historicus Velleius Paterculus beweerde ook dat de stam uit het oosten kwam en dat de stam in 4 na Chr., daar onderworpen werd door Tiberius. Dat de stam kleiner was dan de Bataven en minder gewicht in de schaal legde blijkt uit het feit dat zij minder hulptroepen leverden, maar ook uit het feit dat het de Cananefaten waren die in 69 na Chr. de opstand begonnen. Op eenzelfde wijze waren de Eburonen de opstand begonnen in opdracht van hun machtigere buren de Treveren. De Bataven sloten zich pas later bij de opstand aan en namen toen het voortouw. De naam van de Cananefaatse stam werd in de 2e en 3e eeuw in elk geval nog gebruikt voor de administratieve hoofdstad van hun civitas (stamgebied): Forum Hadriani stond ook wel bekend als Municipium Aelium Cananefatum.

De indeling van ons land in de Vroege Middeleeuwen. De machtige Franken expandeerden tegen die tijd behoorlijk, maar de (Nieuwe) Friezen hielden stand in de kustprovincies.

De indeling van ons land in de Vroege Middeleeuwen. De machtige Franken expandeerden tegen die tijd behoorlijk, maar de (Nieuwe) Friezen hielden stand in de kustprovincies.

Hoewel dit de meest genoemde stammen uit de vroege keizertijd zijn, worden er in bepaalde verslagen meer namen genoemd, waarvan een aantal in Romeins gebied. Mogelijk betreft het hier kleinere stammen, die zo onbeduidend waren dat zij administratief bij andere ingedeeld zijn. Plinius de Oudere noemt de Frisiavonen, Sturii en Marsaci in de rivierendelta. Van de Frisiavonen is, op grond van de naam, wel eens geopperd dat zij een afsplitsing van de Friezen zouden kunnen zijn, maar eigenlijk is hier geen bewijs voor, noch voor hun exacte woonplaats. Het tegenwoordige Zeeland, dat toen nog voornamelijk land was, komt in aanmerking. Mogelijk woonden de Frisiavonen in het noorden hiervan en de Marsaci of Marezaten in het zuiden. Als dat zo was viel de laatstgenoemde groep onder Gallia Belgica, want de Schelde was de grens tussen de provincies. Ten zuiden hiervan, op de Vlaamse kust, woonden de Menapiërs, zodat het grondgebied van de Marezaten mogelijk onder de Menapische civitas viel. In Noord-Brabant moeten de Texuandriërs of Toxandriërs hebben gewoond, en hoewel de naam Toxandrië nog tot de verbeelding spreekt, is er over de stam niet veel bekend. Andere namen zijn de Sunici, die mogelijk in Zuid-Limburg woonden, en de Baetasii, wier woonplaats onbekend is. Ten noorden van de Rijn leefden ook nog de Tubanten, die zich in ongeveer het noorden van Twente en ten oosten daarvan ophielden, en vooral benoemd zijn om hun naam. Ten zuiden van hen, in Twente en de Achterhoek, woonden de Chamaven. Mogelijk waren de in Oost-Friesland en bij de Eemsmonding woonachtige Chauken ook in Groningen aanwezig.

Het oorspronkelijk leefgebied van de Nieuwe Friezen en het huidige Friese taalgebied. In de loop der middeleeuwen was het vooral de Friese taal die teruggedrongen werd, naarmate meer mensen Nederlands gingen spreken. (Bron: wikimedia commons)

Het oorspronkelijk leefgebied van de Nieuwe Friezen en het huidige Friese taalgebied. In de loop der middeleeuwen was het vooral de Friese taal die teruggedrongen werd, naarmate meer mensen Nederlands gingen spreken.

In de loop van de derde en vierde eeuw veranderde bevolking van het tegenwoordige Nederland echter drastisch. De Germaanse invallers dreven de bevolking op de vlucht en onderwierpen of doodden wie achterbleef. Van de exacte gebeurtenissen zijn geen verslagen, dus weten we niet hoe agressief de machtswisseling verlopen is. Vaststaat dat het gebied grotendeels ontvolkt was toen de invallers vaste voet aan de grond kregen. Het betrof hierbij ook niet zozeer volken of stammen, maar eerder federaties van stammen. De beruchtste van deze federaties waren de Franken, die al in 241 hun eerste inval waagden. De Franken waren een verbond waar (althans door de Romeinen) ook de Chamaven in de 4e eeuw onder gerekend werden. Ook de Bataven en de stammen uit het Oosten van Germania Inferior gingen mogelijk op in de Franken. Uiteindelijk kregen de Salische Franken de Betuwe en de Kempen toegewezen. Deze gebieden werden destijds bij namen van de oude bevolking genoemd: respectievelijk Batavia en Toxandrië. Op eenzelfde manier werden de kustgebieden ten noorden van de Rijn Frisia genoemd. Toen hier een nieuwe bevolkingsgroep neerstreek werd deze, bij gebrek aan een concrete naam en onderlinge samenhang, derhalve als “Friezen” bestempeld. Zo namen de Nieuwe Friezen de naam van de Oude Friezen aan. Daar hun grondgebied alle kustprovincies besloeg, moeten niet alleen de moderne Friezen maar ook een aanzienlijk deel van de Groningers, Zeeuwen en Hollanders van hen afstammen. Tot ver in de middeleeuwen was er sprake van een graaf van Frisia, die zich pas na 1100 graaf van Holland ging noemen, en het noorden van Noord-Holland heet nog altijd West-Friesland. Alleen is de Friese taal enkel in Friesland overeind gebleven. Deze taal was oorspronkelijk verwant aan het Angelsaksisch, de taal die gesproken werd door de Germaanse invallers van Brittannië naar wie Engeland genoemd is. De Saksen waren net zo’n verbond als de Franken, en zij streken in de 3e en 4e eeuw neer in het oosten van Nederland: de dialecten hier noemen we nog altijd Saksische.

Giel

Giel

Giel is al sinds zijn prilste jeugd diep geïnteresseerd in geschiedenis en in de Romeinse tijd in het bijzonder. Na zijn MA in geschiedenis te hebben gehaald aan de Universiteit Leiden is hij zelf dieper en dieper in het Romeinse verleden (met name dat van Nederland) gaan graven. Naast geschiedwetenschappelijk onderzoek houdt hij zich bezig met het omzetten van de resultaten in creatieve projecten, opdat er leerzaam doch leuk materiaal geproduceerd wordt. Hoofdinteresses zijn de geschiedenis van het Romeinse rijk, de Romeinen in Nederland en het Romeinse leger.

LAAT EEN REACTIE ACHTER