De Opstand der Friezen

Munt uit Velserbroek.

Munt uit Velserbroek.

Menig geschiedenisboek of -programma vertelt ons dat de Romeinen bij de Rijn halt hielden. Daaruit concluderen we vaak dat zij nooit voet in het noorden van ons land hebben gezet, of daar in elk geval nooit de baas zijn geweest. Dat is echter niet waar…

De stam der Frisii of Friezen, in Noord-Holland en Noord-Nederland, kreeg wel degelijk te maken met de Romeinen. Allereerst hoeft het feit dat een gebied buiten de grens van het Romeinse rijk ligt uiteraard niet te betekenen dat er helemaal geen contact mee was. Romeinse handelscontacten liepen via de zijderoute helemaal tot in China. Ook Ierland en Denemarken kregen via de handel te maken met Romeinse waar. De Friezen zaten een stuk dichterbij, vlak aan de rijksgrens en waren ook zeer interessant voor de handel. Net als de Bataven waren zij veeboeren en de Romeinse troepen konden koeienhuiden goed gebruiken met oog op leerproductie. Bovendien kwamen er uit het gebied ook zaken als wol, vis en zout. Maar niet alleen via handel was er contact. De grens van een uitbreidend imperium werd niet zomaar even permanent vastgelegd. En zelfs toen dat eenmaal wel gebeurd was, waren er nog vaak genoeg expedities achter de Rijn om de grens veilig te stellen en te laten zien wie de baas was. Want de volkeren rondom de Rijn verkeerden vaak genoeg in een soort vazalstatus, wat ook een geruime tijd het geval is geweest bij de Friezen.

De twee kampen en vlootbasis bij Velsen, aan de zuidoever van het Oer-IJ. (Tekening: Graham Sumner)

De twee kampen en vlootbasis bij Velsen, aan de zuidoever van het Oer-IJ. (Tekening: Graham Sumner)

Vanaf 12 v. Chr. was de Romeinse macht ook politiek merkbaar bij de Friezen. Nadat de Bataven en Cananefaten zich middels verdragen min of meer vrijwillig bij het rijk hadden aangesloten, begon Drusus tochten naar het noorden voor te bereiden. Dit met het oog om de Romeinse periferie uit te breiden, zodat Gallië als volwaardige provincies in het rijk kon worden opgenomen. De Romeinse vloot voer het Flevomeer op en kwam zo in contact met de Friezen, die ook op geweldloze wijze werden onderworpen en schatplichtig werden gemaakt. Deze schatting werd opgelegd in de vorm van een bepaalde hoeveelheid koeienhuiden, wat in feite vooral een erkenning van het Romeinse oppergezag inhield. Drusus voer door naar het oosten, maar op de stormachtige terugtocht liepen zijn schepen vast op de zandbanken van de Waddenzee. De Friezen hielpen de Romeinen om veilig terug te keren. Er bleef een garnizoen achter, mogelijk bij Winsum. Het Romeinse gezag kreeg aardige voet aan wal en de Friezen sloten zich niet aan bij de samenzwering van Arminius in 9 na Chr. Na de hieruit voortgekomen Varusslag verloren de Romeinen bijna al het gebied achter de Rijn, maar het land van de Friezen bleef behouden. Een slimme zet van de Friezen, want zij hielden aan de aanwezigheid van de Romeinse troepen mooie handelscontacten over. Het kamp bij Velsen (vermoedelijk het door Germanicus gebouwde Flevum) werd het centrum van het Romeinse gezag en eromheen verrezen publieke gebouwen als een badhuis. Aan de haven bij het kamp konden wel zes oorlogsschepen aanmeren, om van daaruit via het Oer-IJ de Noordzee of het Flevomeer te bereiken. Langs de kust stonden vermoedelijk nog wat andere forten, zoals bij Winsum. De Friezen moeten economisch een flinke groei hebben doorgemaakt, terwijl hun belasting gelijk bleef.

Mogelijk lag Flevum ter hoogte van Velsen. De rode vlek geeft een indicatie van waar het Woud van Baduhenna gelegen zou kunnen hebben.

Mogelijk lag Flevum ter hoogte van Velsen. De rode vlek geeft een indicatie van waar het Woud van Baduhenna gelegen zou kunnen hebben.

En daar zat de fout. Het verdrag noemde het aantal huiden, maar was niet duidelijk over de afmetingen ervan. Dat duidelijkheid cruciaal is bleek in het jaar 27 toen een centurio eerste klasse genaamd Olennius benoemd werd tot praepositus gentis Frisiorum (gouverneur van het Friese volk). Olennius trachtte gebruik (of misbruik) te maken van de onduidelijkheid door huiden te eisen die qua grootte voldeden aan de afmetingen van de wilde oeros, die veel groter was dan het Germaanse vee. Of Olennius dit op eigen initiatief deed of met orders van bovenaf is niet duidelijk, al merkten Romeinse geschiedschrijvers in dit soort gevallen de publieke bestuurders vaak als zondebok. Huiden op het formaat van oerossen konden niet geleverd worden, temeer daar de oeros al aan het uitsterven was. De enige oplossing was het leveren van meer huiden. Als men denkt aan de stijgende welvaart zou dat niet zo’n probleem moeten zijn geweest, maar volgens Tacitus kon men dit toch niet opbrengen. De Friezen zouden als compromis slaven hebben aangeboden, maar Olennius eiste blijkbaar de huiden. Volgens Tacitus strafte Olennius de wanbetalers door eerst hun vee in beslag te nemen en vervolgens ook hun akkers op te eisen. Uiteindelijk zouden er zelfs vrouwen en kinderen zijn meegevoerd. Het blijft een zonderling verhaal, maar misschien stak er veel meer achter de opstand dan alleen de belastingen…

De opvallend rommelige slingerkogels bij Velsen. Slingerkogels hadden vaak een nauwkeurige puntige vorm, soms zelfs met een boodschap van de eigenaar.

De opvallend rommelige slingerkogels bij Velsen. Slingerkogels hadden vaak een nauwkeurige puntige vorm, soms zelfs met een boodschap van de eigenaar.

Of deze straffen nu erg vaak zijn uitgevoerd of niet, uiteindelijk barstte de bom in het volgende jaar. De woedende Friezen lynchten meerdere belastinginners door hen te kruisigen en trokken vervolgens massaal op naar Flevum, waar Olennius zich met zijn soldaten haastig in had verschanst. (Daar in de buurt is een muntschat opgegraven, mogelijk in paniek begraven door iemand die de schat nooit heeft kunnen ophalen of door de haast de plek niet meer wist.) De opstand was goed voorbereid, want een enorme hoeveelheid krijgers belegerde de twee forten van Flevum. In het zuidoosten, bij het oudere fort, sloeg men de Friezen af, maar het nieuwere fort werd door de opstandelingen onder de voet gelopen. Het oude fort bleef belegerd en dat de situatie benard was blijkt wel uit de in de omgeving aangetroffen loden slingerkogels: meerdere hiervan zijn opvallend rommelig van vorm, wat doet vermoeden dat de kogels op waren en er in allerijl nieuwe werden gegoten met behulp van gaten die met vingers of takjes in de grond gemaakt waren. Maar uiteindelijk kwam er hulp. Cananefaatse hulptroepen en Romeinse soldaten arriveerden en ontzetten het fort.

Bij Velsen aangetroffen schedel en riem met dolkschede.

Bij Velsen aangetroffen schedel en riem met dolkschede. (Bron: Livius.org)

Toen Lucius Apronius, de opperbevelhebber van Germania Inferior, van de opstand hoorde, trok hij met zijn eigen legers en versterkingen uit Germania Superior naar de Rijndelta. De Friezen trokken zich echter terug in het Woud van Baduhenna (locatie onbekend, maar waarschijnlijk niet ver van Flevum, mogelijk bij Heiloo). De Friezen hadden het voordeel dat zij dit woud kenden, in tegenstelling tot hun vijanden, die bovendien met hun zware uitrustingen nog een extra probleem hadden, want het was een moerassig gebied (de omgeving van het Oer-IJ zat vol kwelders) zodat het een hele kunst was om er veilig door te komen. Apronius liet een weg van dammen en bruggen aanleggen, waarbij wat doorwaadbare plaatsen werden ontdekt. De Cananefaatse ruiterij en Germaanse hulptroepen werden vooruitgestuurd om de Friezen in de rug aan te vallen. Dit mislukte echter. Apronius leerde hier echter niet van: in plaats van in één keer op te trekken met zijn hele troepenmacht, deelde hij zijn leger op en stuurde de groepen één voor één het woud in, zodat ze na elkaar bij het slagveld arriveerden en steeds net te laat waren om elkaar te helpen. Toen Apronius zijn fout besefte stuurde hij alle overige hulptroepen onder leiding van Cethegus Labeo, de legaat van Legio V Alaudae. Ook Labeo raakte in de knoei, maar hij wist tijdig om hulp te verzoeken, waarop Apronius Legio V stuurde. Het legioen joeg de Friezen eindelijk op de vlucht, maar de Romeinen en hun hulptroepen waren inmiddels zo ernstig verzwakt dat een achtervolging niet meer mogelijk was. Het leger trok zich in allerijl terug en kon niet anders dan de gesneuvelden achterlaten in het woud.

Bij een laatste treffen in het Woud van Baduhenna leden de Romeinen alsnog een nederlaag. 900 Romeinen sneuvelden in de slag. Een deel van het leger had zich in angst verscholen in de villa van een zekere Cruptorix, een veteraan. Daar sloeg volgens Tacitus de paniek toe: uit angst voor onderling verraad en voor de vijand maakten de 400 soldaten elkaar af. De Romeinse nederlaag was een feit en de Friezen leken hiermee het Romeinse oppergezag te hebben afgeschud. Flevum werd verlaten en om te voorkomen dat de Friezen het in gebruik zouden nemen werden er dode paarden en soldaten in de waterputten gegooid, om het water ondrinkbaar te maken. Apronius kwam er blijkbaar mee weg en was een aantal jaar later (34 na Chr.) nog steeds bevelhebber. Van wraaktochten of andere represailles wordt niets vermeld, al lijkt het erop dat in het jaar 38 Flevum alweer in gebruik was door de Romeinen, mogelijk met het oog op de naderende inval in Brittannië. Twee decennia na de opstand zouden de Friezen nog een keer onderworpen worden, maar Romeins bestuur werd hen nooit meer opgelegd. Van de inhalige Olennius wordt na de opstand niet meer gesproken. Het is niet ondenkbaar dat zijn wanbeleid hem het leven of in elk geval zijn carrière heeft gekost.

Giel

Giel

Giel is al sinds zijn prilste jeugd diep geïnteresseerd in geschiedenis en in de Romeinse tijd in het bijzonder. Na zijn MA in geschiedenis te hebben gehaald aan de Universiteit Leiden is hij zelf dieper en dieper in het Romeinse verleden (met name dat van Nederland) gaan graven. Naast geschiedwetenschappelijk onderzoek houdt hij zich bezig met het omzetten van de resultaten in creatieve projecten, opdat er leerzaam doch leuk materiaal geproduceerd wordt. Hoofdinteresses zijn de geschiedenis van het Romeinse rijk, de Romeinen in Nederland en het Romeinse leger.

LAAT EEN REACTIE ACHTER