Ermelo en andere marskampen: Romeinen op expeditie

Soldaat2_marskampIn de artikelen van afgelopen maanden hebben we alle vaststaande Romeinse steden, forten, stationes en nederzettingen in Nederland behandeld. We hebben zelfs enkele behandeld die lang niet zo zeker zijn. De oplettende lezer zal het hierbij opvallen dat vrijwel al deze plaatsen zich ten zuiden van de Rijn bevonden, met uitzondering van Flevum. Geen wonder, want de rivieren en de kust zijn de meest logische locaties voor nederzettingen en vestingen. De Rijn was uiteindelijk de daadwerkelijke grens van het Romeinse rijk, terwijl Maas en Waal op den duur een belangrijke buffer gingen vormen. Evengoed was de westkust van groot belang met het oog op verdediging tegen zeerovers. Het zal de lezer dus ook niet ontgaan zijn dat veel van deze plaatsen militair waren, al zijn er ook burgerlijke nederzettingen aanwezig. Voor dit laatste artikel in deze reeks trekken we nog eenmaal de Rijn over en gaan we naar de noordelijke helft van het land.

In onze ogen is de Limes vaak een gesloten grens met enorme contrasten aan weerszijden. Dat beeld is veel te eenzijdig.

In onze ogen is de Limes vaak een gesloten grens met enorme contrasten aan weerszijden. Dat beeld is veel te eenzijdig.

Dat de Romeinen nooit ten noorden van de Rijn zijn geweest is een conclusie die veel mensen trekken puur op het feit dat de Rijn uiteindelijk als grens werd ingesteld. Maar uiteraard was het niet zo dat men de Rijn bereikte en meteen besloot om daar voor altijd te stoppen. De Romeinse invloed ten noorden van de Rijn was tot en met halverwege de eerste eeuw van onze jaartelling vrij duidelijk in de vorm van militaire aanwezigheid, waar het fort bij Velsen het beste voorbeeld in Nederland van is. Maar ook daarna waren er nog altijd contacten met de Romeinen, variërend van handel tot confrontaties. De limes was geen ijzeren gordijn, zodat er tal van vondsten in Noord-Holland, Friesland en Groningen zijn gedaan die handel met het Romeinse rijk aantonen. Uiteraard liggen deze gebieden voor de hand gezien hun positie aan de kust, maar ook in Drenthe zijn deze vondsten gedaan.

Het bezoek aan Rome van de Friese hoofdmannen Malorix en Verritus was te wijten aan de wet die hun stam verbood om op de noordoever van de Rijn te komen wonen. Hun wens werd afgewezen.

Het bezoek aan Rome van de Friese hoofdmannen Malorix en Verritus was te wijten aan de wet die hun stam verbood om op de noordoever van de Rijn te komen wonen. Hun wens werd afgewezen.

Ook de militaire aanwezigheid na 50 na Chr. in de noordelijke helft van Nederland moeten we niet onderschatten. Ten eerste omdat het gebied direct ten noorden van de Rijn als militaire grond door het Romeinse rijk werd opgeëist: slechts bij uitzondering mochten inheemsen hier komen wonen. Ten tweede omdat de Romeinen trachtten om bondgenootschappen met de stammen aan de grenzen te sluiten, waarbij we overigens meer aan een vazalstatus dan aan een gelijkwaardige vriendschap moeten denken; hoewel er geen sprake was van militaire bezetting, werden deze volkeren wel geacht schatting en hulptroepen te leveren en een eventuele aanval van volkeren van verderop op te vangen. Tot slot gingen de Romeinse troepen (al dan niet hun hulptroepen) ongetwijfeld met enige regelmaat de grens over. Dit laatste kon zijn omwille van oorlog (in de vorm van een grote veldtocht of een kleine strafexpeditie) maar ook gewoon bij wijze van oefening, zodat de soldaten geoefend werden in het houden van dagmarsen.

De wasplank van Tolsum, die nu nog te zien is in het Fries Museum.

De wasplank van Tolsum, die nu nog te zien is in het Fries Museum.

Naast Flevum, aan het Oer-IJ, zijn er weinig militaire posten in de noordelijke helft van Nederland bekend. Er is wel vastgelegd dat Drusus in de jaren van zijn expedities naar het noorden een fort of winterkamp liet aanleggen, maar niemand weet exact waar (de suggestie dat dit Winsum zou kunnen zijn is tot op heden niet meer dan speculatie). De tabula die gevonden is in Tolsum, uit 29 na Chr., suggereert volgens sommigen militaire aanwezigheid in Tolsum, maar van de andere kant kan dit ook een handelstransactie zijn geweest: de tekst is een schuldbekentenis, maar die hoeft uiteraard niet op de plek waar hij gevonden is opgesteld te zijn.

Misschien moeten we bij de post in het Kotterbos denken aan een wachttoren of klein fort. Maar misschien ook wel aan een marskamp.

Misschien moeten we bij de post in het Kotterbos denken aan een wachttoren of klein fort. Maar misschien ook wel aan een marskamp.

Een zeer opvallend voorbeeld van een zeldzame wachtpost ten noorden van de Rijn is die van het Kotterbos, in Flevoland. Het Flevomeer uit de Vroege Keizertijd was nadrukkelijk kleiner dan de Zuiderzee begin 20e eeuw was, zodat de plek van het Kotterbos een moerasbos geweest moet zijn. Aangezien de post niet ver van het meer lag, op een punt dat waarschijnlijk al varende in een dag vanuit Fectio (Vechten) te bereiken was, zou men al snel denken dat de post is gebouwd door Drusus tijdens zijn expedities naar de Waddenzee. Onderzoek van het gevonden hout toont echter aan dat het in 69 na Chr. gekapt moet zijn, dus rond de tijd van de Opstand der Bataven. De constructie lijkt niet bepaald permanent, dus wellicht diende deze slechts tijdelijk om de route te bewaken. De opstand (of het neerslaan ervan) zou een rol gespeeld kunnen hebben, maar wat voor rol is dan wel de vraag.

Reconstructie van de wal van een dagmarskamp. De sudes voor de omheining konden eenvoudig worden vervoerd op lastdieren of als deel van de militaire bepakking.

Reconstructie van de wal van een dagmarskamp. De sudes voor de omheining konden eenvoudig worden vervoerd op lastdieren of als deel van de militaire bepakking.

Posten en forten zijn dus zeldzaam, zeker degene van permanente aard. De enige andere vorm van militaire behuizing is zo mogelijk nog minder permanent en daardoor ook nog moeilijker terug te vinden. De Romeinse dagmarskampen zijn een goed voorbeeld van hoe efficiënt een geoefend leger opereren kan. Na een mars van enkele tientallen kilometers werden de lederen tenten opgezet, waaromheen een greppel werd gegraven en een omheining werd gebouwd: de aarde uit de greppel diende als wal, waar vervolgens staken en Spaanse ruiters in konden worden aangebracht. Als dit efficiënt genoeg werd gedaan was het vrijwel onmogelijk om in het kamp binnen te dringen, zeker als men bedenkt dat er altijd wat soldaten op wacht bleven en er mogelijk ook voetangels werden ingegraven in de greppel en wal. De volgende morgen werd de boel weer opgebroken. Indien de staken waren meegebracht door het leger verdwenen deze weer in de bagage, indien ze ter plekke waren gekapt werden ze verbrand. De greppel kon met de aarde van de wal weer gemakkelijk dicht worden gegooid. Zo was het kamp onbruikbaar voor andere partijen.

Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) geeft duidelijke ruitpatronen weer die op dagmarskampen kunnen duiden, zoals deze in het Gooi.

Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) geeft duidelijke ruitpatronen weer die op dagmarskampen kunnen duiden, zoals deze in het Gooi.

Juist deze organisatie maakt dat dagmarskampen uiterst moeilijk te traceren zijn: in tegenstelling tot een permanent fort blijven er bij een marskamp geen ruïnes achter in de grond. Een greppel zodanig dichtgooien dat deze niet meer op te sporen valt is weliswaar extreem moeilijk, maar van de andere kant zijn er natuurlijk vele eeuwen overheen gegaan, zodat die sporen ook niet goed meer te vinden zijn. Toch lukt het een enkele keer om er een paar op te sporen. Moderne technologie helpt daar aardig bij. Op de Westerheide, bij Laren en bij Hilversum, zouden er twee kampen geweest kunnen zijn. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland zijn er op de Westerheide duidelijk twee ruitvormige plekken te zien. Hoewel verdere gegevens ontbreken, is er in elk geval een mogelijkheid.

De greppel en wal van het dagmarskamp op de Ermelosche Heide zijn nog steeds zichtbaar. Bovendien worden ze nu zichtbaar gehouden.

De greppel en wal van het dagmarskamp op de Ermelosche Heide zijn nog steeds zichtbaar. Bovendien worden ze nu zichtbaar gehouden.

De ruitvormen in het Gooi zijn herkenbaar omdat ze lijken op de plattegrond van het dagmarskamp op de Ermelosche Heide. Dit dagmarskamp moet rond het jaar 170 zijn aangelegd in een ruitvorm van 250 bij 350 meter (9 ha) wat groot genoeg is om aan heel legioen onderdak te bieden! Dat men deze vorm zo duidelijk heeft kunnen terugvinden is een mysterie: zoals gezegd hadden de Romeinse troepen de gewoonte om hun dagmarskampen netjes op te breken en onbruikbaar achter te laten, dus wat is hier gebeurd dat het niet het geval is? Net zo min is het duidelijk wat de soldaten hier uitspookten. De afstand is op twee dagmarsen van Rijn, op een dusdanige locatie dat het mogelijk is dat men om een of andere reden onderweg was naar het Flevomeer. Het gebied was duidelijk bewoond, wat onder andere uit een grote hoeveelheid grafheuvels blijkt. Aangezien de Romeinse grenzen rond 170 onrustiger werden, zou het kunnen dat er een strafexpeditie tegen de hier woonachtige Saliërs of Chamaven plaatsvond, of dat de troepen via het Flevomeer de Chauken, die op dat moment de westkust teisterden, een lesje te leren.

Op vici.org is de omtrek van het kamp bij Ermelo uitgebeeld. De poorten zijn duidelijk te zien.

Op vici.org is de omtrek van het kamp bij Ermelo uitgebeeld. De poorten zijn duidelijk te zien.

Hoe het ook zij, het kamp moet in een paar uur tijd opgezet zijn. Er zitten namelijk kleine verspringingen in de greppel en de wal, zodat duidelijk is dat deze zijn aangelegd door kleine groepjes soldaten die enkel een paar meter voor hun rekening namen. De greppel moet anderhalve meter diep zijn geweest, met een wal van bijna een meter hoog. Halverwege elke wal van het kamp zat een doorgang, die werd afgeschermd door soort extra wal, die verder naar voren stond dan de rest. Zodoende was het voor potentiële aanvallers waarschijnlijk extra moeilijk om binnen te komen. Er is veel as van broodovens teruggevonden, wat doet vermoeden dat de soldaten in kwestie opvallend lang in het kamp gebleven zijn, namelijk wel drie dagen lang! Dat zou dus kunnen dienen als argument voor de optie dat het leger in de omgeving iets te zoeken had of even wilde laten zien wie de baas was.

De informatiezuil bij het kamp van Ermelo, met de plattegrond van het kamp erop.

De informatiezuil bij het kamp van Ermelo, met de plattegrond van het kamp erop.

De contouren van het dagmarskamp van Ermelo zijn tot op de dag van vandaag terug te vinden in het landschap, waar ze bewaakt worden door een stenen legionair. Ironisch genoeg is er op de heide nu een militair oefenterrein.  Er is ook een informatiezuil geplaatst in 2001. In 2017 werd de Romeinenweek geopend met een groots evenement op de heide. In Ermelo zelf, in Museum het Pakhuis, is een hoop over de Romeinse aanwezigheid in de streek te vinden.

Giel

Giel

Giel is al sinds zijn prilste jeugd diep geïnteresseerd in geschiedenis en in de Romeinse tijd in het bijzonder. Na zijn MA in geschiedenis te hebben gehaald aan de Universiteit Leiden is hij zelf dieper en dieper in het Romeinse verleden (met name dat van Nederland) gaan graven. Naast geschiedwetenschappelijk onderzoek houdt hij zich bezig met het omzetten van de resultaten in creatieve projecten, opdat er leerzaam doch leuk materiaal geproduceerd wordt. Hoofdinteresses zijn de geschiedenis van het Romeinse rijk, de Romeinen in Nederland en het Romeinse leger.

LAAT EEN REACTIE ACHTER